Zoeken

Stomp scherpt aan

Anekdotes uit het kleine leven

Voelen en snappen (Oerol 2017)

IMG_0120Bijna afgelopen. De spelers zwaaien nog eenmaal en dan volgt een korte buiging. Niet naar ons maar naar opzij, waar de linten wiegen in de duinen. Die zijn daar voorafgaand aan de voorstelling door ons, het publiek, verknoopt. Een eerbetoon aan de meer dan twintigduizend slachtoffers van de tsunami in Japan, zes jaar geleden.

Het is hier op Oerol even bijkomen van Tsukumogami van de slagwerkgroep Dadadadan Tenko. Een overrompelende voorstelling met een gedoseerde mix van fragiele dans, ijle muziek en ruig slagwerk. Een voltreffer in het hart. En even krachtig als de slagen op de trommels zojuist.
Maar wat maakt nu dat ik met de rug van mijn hand de tranen van mijn wangen moet vegen? Misschien omdat ik me hier op het strand eenvoudig kan verplaatsen in de slachtoffers en nabestaanden. We hoeven maar naar links te kijken en we zien wat de zee met zijn onvoorspelbare en meedogenloze natuurkracht vermag.
Maar was ik even geroerd geweest zonder deze context?
Natuurlijk, kunst kan evengoed raken zonder dat je precies snapt wat de maker verbeeldt; een gedicht dat onder je huid kruid zonder dat je begrijpt waarom. Of neem een film als The Tree of Life die je vooral met je rechterhersenhelft moet ondergaan.

Anne Soldaat en Yorick van Norden treden samen op op Oerol. Unsong heroes heet hun show waarin ze liedjes vertolken van zangers ‘die het verdienen niet te worden vergeten’. Mijn hart maakt een sprong als er een nummer van The Sound voorbijkomt, de new wave band die ik drie keer live zag in de jaren tachtig. Natuurlijk ken ik de liedjes nog maar het zijn vooral de tomeloze energie van de groep en de teksten over dreigend onheil die ik me herinner – het waren tenslotte de donkere doemjaren waarin we toen leefden. The Sound kreeg een even succesvolle toekomst toegedicht als tijdgenoten als The Cure en U2. Maar het liep anders. Adrian Borland, zanger en creatief brein van de groep wierp zichzelf voor de trein.
You showed me that silence that haunts this troubled world.

Maakt deze tragedie de nummers van de getroebleerde Adrian met terugwerkende kracht nog meeslepender? Moeilijk te zeggen. En als we Anne Soldaat zelf betrekken in deze kleine bespiegeling: eerlijk gezegd ben ik zijn liedje If wel meer gaan waarderen nadat ik ontdekte waar het over gaat.
Driver stop, I know it’s late but to leave now would be a crime.
Geen tekst over een schatje in weer een ander stadje waar Anne nog even langs moet na een optreden. Nee, een liefdevol liedje over zijn dochter die hij minder ziet dan hij zou willen.
Soms wordt iets nog mooier als je het voelt en snapt tegelijk.

De laatste keer

Zwaan
‘En wanneer was de laatste keer?’
Hij keek onverstoorbaar. Niets aan zijn gezicht verraadde de gretige oorsprong van zijn vraag. Je bent elf jaar oud en je wilt van de hoed en de rand weten.
Het bleef even stil en daarna lachten we uitbundig, de papa’s en mama’s in het gezelschap.
Vlak daarvoor had de zoon van onze vrienden zijn moeder bevraagd over de eerste keer. Niet zozeer over de daad zelf maar over de schermutselingen die eraan vooraf gingen. Hoe oud ze was, waar het gebeurde en met wie.
Een beetje besmuikt gaf ze opening van zaken. Je beloont de nieuwsgierigheid van je zoon, dat was denk ik haar leidend pedagogisch motief.
En toen kwam die andere vraag waar ze niet van terug had.
Er was natuurlijk nog geen laatste keer geweest. Maar ouders die het nog met elkaar doen, je moedigt liever niet aan dat zo’n 11-jarige zich daar een al te plastisch beeld van vormt. Zijn vraag maakte ons – halverwege de veertig waren we toen – met onmiddellijke ingang te oud voor seks. We bekeken onszelf ineens met de blik van deze verse tiener. We lachten zijn vraag weg en namen weer een slok uit onze glazen wijn. De laatste keer, hoe verzint hij het?
Maar het was vooral ons eigen ongemak dat we weglachten, bedenk ik nu met terugwerkende kracht. We waren nog niet klaar voor zijn vraag maar eens doemt hij natuurlijk op, de laatste keer.
Die keer brengen we liever niet ter sprake. Of hij is al geweest, zonder dat we er erg in hadden. Zonder dat we er extra van hebben genoten of hebben kunnen wennen aan de gedachte: dit-gaat-niet-meer-gebeuren. Vanwege een scheiding bijvoorbeeld, die maakt dat dingen anders lopen. Of omdat een partner van slaapkamer verhuist, de lust definitief tot stilstand is gekomen. En er is een laatste keer als de dood een hinderlijke spelbreker is.

Ik zag gisteren een zwaan alleen door het water gaan. Zwanen zijn toch altijd met zijn tweeën, tot aan de dood? Misschien was het een weduwe of een weduwnaar. Maar waar was dan die andere gebleven? Ik heb nooit een dode zwaan zien liggen in een park of zien drijven in het water.
Ook dieren sterven buiten ons blikveld.

Het veldje

buurtidylle
Hier speelden onze kinderen toen ze klein waren. Onder de liefdevolle en wakende ogen van hun papa’s en mama’s.
Hier hadden we dikke pret op de zeldzame dagen dat er sneeuw lag en de kleintjes met hun sleetjes van de bult gleden.
‘Jongens, thuiskomen! We gaan eten!’
Hier haalden we hen op in de jaren dat ze oud genoeg waren om er zelf hun avonturen te beleven.
Hier voetbalden we, de vaders tegen de zoons. Tot de dag aanbrak dat ze ons de baas waren.
Hier hadden we onze buurtfeestjes. Dit was het epicentrum van ons kleine bestaan. Buurtvrienden: mannen en vrouwen met opgroeiende kinderen.
Dit hier was van ons tot we er niet meer kwamen.
Nu is er een nieuwe generatie die zich over deze plek ontfermt. Mannen en vrouwen met opgroeiende kinderen.

Het ligt er nog net zo bij als toen we hier ruim twintig jaar geleden neerstreken. Een argeloze wandelaar zou het een parkje noemen of een plantsoen. In ons gezinsvocabulaire is dit het veldje gaan heten. Een simpele benaming voor wat een tijdlang een best belangrijke plek in ons kleine leven was.
Omzoomd door bomen waarvan twee schitterende en majestueuze essen tot boven de daken van de jaren-dertig-huizen uitstijgen. Dan is er het gedeelte waar grind ligt en eiken en kastanjes staan die op zonnige zomerdagen voor prettige schaduwplekken zorgen. Daarachter de grote zandbak met de touwboom, een paar houten bankjes, het klimrek en de glijbaan. En – we spreken natuurlijk niet voor niets van veldje – het hobbelige voetbalveld, begrensd door het water van de Kruisvaart. Het water waarin onze eerstgeborene ooit op slapstickachtige wijze wist te vallen, vanuit een boom. Tot groot plezier van haar broertje die hikkend van de lach achter zijn kletsnatte zus en opa en oma mee naar huis holde.

Het veldje. Idylle in de buurt. Nu ik er weinig meer kom, realiseer ik me dat pas. In de tijd dat ik er dagelijks bivakkeerde nam ik de plek misschien teveel voor lief. Dat dit hier niet in bruikleen was maar voor eeuwig aan ons toebehoorde. En waarschijnlijk ook omdat ik teveel in beslag werd genomen door de alledaagse beslommeringen van een jonge vader.
Genieten lukt vaak pas met terugwerkende kracht, bedenk ik me als ik op een stille lenteavond met de blik van een onbekommerde voorbijganger deze plek in me opneem.
Het veldje. Op minder dan honderd passen van ons huis, nog steeds. Maar inmiddels ook best ver weg.

Stout (2)

dgtl
Okay, niet meer stout dus. Ken u zelve, ken uw leeftijd.  Opmerkelijk dus dat ik hier samen met mijn beste vriend P. op Eerste Paasdag rondbanjer. Hier is het technofestival DGTL op een kille en winderige NDSM-werf in Amsterdam Noord. Aan de gezichten om ons heen af te lezen, ligt de gemiddelde leeftijd zo’n dertig jaar lager dan de onze.
De geest die een U-bocht neemt. How did I get here? zong David Byrne ooit.
Misschien omdat ik me heb laten meeslepen door het enthousiasme van P. toen hij met deze dagtrip op de proppen kwam. Ik had mijn aarzelingen. De site van DGTL – spreek uit didjittel, daar kwam ik later pas achter – zag er beslist hip uit, maar waar pasten wij in dit plaatje? Okay, nog zonder rollator allebei maar onze houdbaarheidsdatum voor dit soort events al een tijdje overschreden toch?
‘DGTL is a festival experience full of discovery, inspiration and surprise. Through music, art and production, we tantalise visitors and keep them hungry for more’, aldus de website.
Aha. 

Ons adagium – go see what it is – trok me over de streep. Dat motto had P. en mij gedurende onze langlopende vriendschap en gezamenlijke trips vaak al op onvermoede en verrassende plekken gebracht. Zoals in Reykjavik waar we onszelf van het ene op het andere moment terugvonden op een besloten bedrijfsfeest in het spiksplinternieuwe muziekpaleis Harpa, te midden van een feestende meute straalbezopen IJslanders. Go with the flow, zeggen we dan.
DGTL. Waarom ook niet.

‘We hebben een plattegrond van het terrein nodig’, stelt P. Hij kijkt op het blokkenschema dat hij van tevoren heeft geprint en waarop hij zijn favoriete DJ’s heeft aangekruist. Het festivalterrein is nogal huge en waar de locaties Generator, Frequency zijn: geen idee. Wacht maar even zeg ik, ik ga er wel eentje halen.
De jongen achter het glas kijkt me uitdrukkingsloos aan als hij mijn vraag hoort. ‘Je hebt de app’, zegt hij vervolgens. Digital. Nomsing? Deze dinosaurus heeft net gevraagd of er van organisatiewege kleitabletten van het festivalterrein kunnen worden verstrekt. Met gebogen hoofd loop ik terug naar P. en doe hem verslag.
We zijn in Frequency beland. Ik ga drankjes halen. Ik stuit op een bardame die op haar beurt recht in het gezicht kijkt van de vader van een vriendin van haar. Ze lacht haar breedste lach, brengt haar gezicht naar mijn oor en weet zich nog net verstaanbaar te maken boven de mix van industriële en Oosterse klanken van DJ Satori.  ‘Je bent toch niet aan het spacen hè?’, vraagt ze.

Dat is het fascinerende aan het leven. Dat je soms van die momenten in de schoot geworpen krijgt waardoor je ineens alles vat.
In het Gronings klinkt dat het best: ’t is mooi west.

 

 

 

 

Stout

Haarlemmerstraat
Het is rond zeven uur in de avond als ik vanuit het Centraal Station de Amsterdamse binnenstad inloop. Het is druk, natuurlijk is het druk, het wordt hier steeds drukker. Ik kom graag in deze stad maar mijn liefde is veranderd in genegenheid zou je kunnen zeggen. Gevoelens zoals je die kunt koesteren voor een oude en wijze vrouw. Eens was Amsterdam voor mij de jonge wilde. Ik associeerde haar met flirt en avontuur. Maar toen was tijd nog een pad dat vooral voor me lag. Een pad bezaaid met dromen en plannen bovendien. Nu mogen anderen dromen.

Ik ben aan de late kant. Niet dat dit erg is voor een etentje met een goede vriend, maar ik ben graag een man van de klok.
Hij zit er inderdaad al als ik binnenkom, helemaal achterin aan het tafeltje in de hoek, in het restaurant dat Stout heet. Stout zijn we niet meer, voor zover we dat ooit zijn geweest.
Twintig jaar kennen we elkaar nu. We waren vroeger collega’s en daarna zelfs ’n tijdje compagnons. De frequentie waarin we elkaar treffen is minder hoog geworden maar we blijven elkaar een paar keer per jaar zien. We eten dan samen en vaak is Stout daarvoor het smakelijke decor.
De avonden zijn nooit spectaculair, altijd aangenaam. Zelfs de keer dat mijn vriend op weg naar het restaurant een zeepje at in de veronderstelling dat het een snoepje was. Aangeboden op de stoep bij een winkeltje verderop en door hem onnadenkend in de mond gestopt. Zoiets wordt later een goed verhaal, zoals we veel goede verhalen hebben verzameld samen.
In onze gesprekken bewandelen we regelmatig zijpaden. We zijn associatieve praters -ik hou daarvan, ik verhoud me een stuk moeilijker tot mensen die op een lineaire manier opereren in het sociale verkeer. Werk, huis en haard, hoe het onze kinderen vergaat – die zich steeds meer op grotere afstand van hun vader door het leven bewegen – goeie muziek, de teloorgang van het Nederlandse voetbal, ja alle grote kleine kwesties komen wel aan bod. Serieus met de kwinkslag altijd binnen handbereik.
En in zekere zin zit in onze conversaties ook een ondertoon, die van het verglijden van de tijd. We zien het om ons heen en zijn ons daar meer van bewust dan vroeger: je kunt ineens aan de beurt zijn.

Weer terug op Amsterdam Centraal, nu samen. Hij moet naar de bus en ik naar de trein. We nemen afscheid met een warme handdruk, zo eentje op schouderhoogte waarbij de een de ander z’n duim omklemt. We lachen en we zwijgen eventjes. Alles is voor nu gezegd.
Of hij dat ook zo ervaart weet ik niet – mannen praten daar niet graag over – maar voor mij ligt in onze handdruk niet alleen een groet maar ook onze vriendschap besloten.

 

Toch. Maar. Niet.

tatoeeerder

Ken je die mop over de man die een tatoeage zou nemen?
Hij nam hem niet.

‘Ben je nu al terug?’, vraagt echtgenote.
‘Ik doe het toch maar niet’, zeg ik terwijl ik mijn jas weer uittrek.
Haar lach zou je schamper kunnen noemen. Maar met enkel die kwalificatie zou je hem tekort doen. Van buiten een krokant laagje leedvermaak maar van binnen is haar lach vol en gemeend. Een prachtig bewijs van haar geweldige gevoel voor humor.
Eerlijk is eerlijk: ik zou in haar positie dubbel hebben gelegen.
Maandenlang had ik de beslissing voor me uitgeschoven. Wikkend en wegend, voordelen en nadelen tegen elkaar afwegend. Adviezen van vrienden – voorstanders en tegenstanders – had ik scherp tegen het licht gehouden. Ik had talloze oefentatoeages geplakt om er aan te wennen en om de ideale locatie op mijn lijf te kunnen bepalen. En ik was een tijd geleden op een verdwaalde zaterdagmiddag de uitverkoren tatoeagewinkel binnengelopen. Wat zo’n ding ongeveer zou gaan kosten en of ik van tevoren een afspraak moest maken. Niet over één nacht ijs. En echtgenote had ik natuurlijk meer dan eens betrokken in het beslissingsproces. Begaan als ze is met dat soort essentiële vraagstukken, neem je haar daar natuurlijk graag in mee. Draagvlak creëren. Dat ze op een keer op kordate toon zei: ‘zet dat ding dan gewoon!’, beschouwde ik als het beslissende zetje dat ik nodig had. Zelfs een nieuwsbericht op teletekst (‘nog steeds veel kankerverwekkende stoffen in tatoeage-inkt’) weerhield deze hypochonder niet.
Vandaag ga ik het doen.

Ik beslis binnen een minuut over vakantiebestemmingen, een aan te schaffen bankstel of een omvangrijke verbouwing in huis. En krijg daarvan nooit spijt. Waarom zou je?
Maar de onomkeerbaarheid van dit, een in vier vierkante centimeter zwarte inkt vervat boeddhistisch symbool op mijn linkerbeen, maakt dat de twijfel zich ineens met een hoofdletter T in mijn gedachten nestelt. Ter hoogte van het stadskantoor, nog niet eens halverwege de fietstocht naar de tattooshop, voel ik dat mijn benen de trappers langzamer rond krijgen. Driehonderd meter verder, dirigeer ik mijn fiets in de tegenovergestelde richting.
Toch. Maar. Niet.
‘Waarom wilde je hem eigenlijk?’, vraagt echtgenote.
Ik kan geen coherent antwoord bedenken, het bewijs dat het tatoeageboek nu definitief dicht is. Een nieuw  post midlife crisis project verzinnen dan maar. Buitenechtelijke relatie. Tenminste wat minder in het oog springend.

Trage dagen

 

trage_dagen
Een vriend verkeerde midden in een scheiding. We zaten in het café en hij deed zijn verhaal. Het was voorbij en het deed zeer, heel erg zeer. Ik kreeg een inkijkje in de slotscène van zijn huwelijk. De crisis was begonnen met de vraag: wat hebben we eigenlijk nog, wij samen?
Een gevaarlijke vraag natuurlijk.
Niet veel later stortte het bouwwerk in.
´Ik stond tegen de eettafel geleund’, zei mijn vriend, ‘en zij zat op de bank in de woonkamer. We zeiden een tijdlang niets. Een ijzige sfeer, het was ellendig.´
Hij nam een slok van zijn bier en ging verder. ‘Terwijl ik daar stond, dacht ik: ik hoef me later enkel maar te herinneren hoe verschrikkelijk ik me nu voel om zeker te weten dat we een goede beslissing hebben genomen. Maar het beroerde is, ik kan dat gevoel niet meer oproepen. En nu weet ik dus niet meer zo goed waarom we uit elkaar gaan.’
Hij verkruimelde langzaam maar trefzeker het bierviltje dat naast zijn glas lag.
We vergeten. Ook als we beslist niet willen vergeten.

Ik moest aan deze anekdote denken tijdens het lezen van Liefde, het tweede deel van de 5-delige serie Mijn Strijd van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgard. Fascinerend hoe hij de worsteling met zijn kleine leven beschrijft. De hoofdpersoon – Knausgard zelf want het boek is honderd procent autobiografisch – is schrijver, getrouwd en vader van drie kleine kinderen. En dat levert gedoe op, heel veel gedoe. Met zichzelf en met zijn omgeving. Knausgard ontleedt minutieus zijn trage dagen tot op het bot. Het grut dat jengelend aan zijn broek hangt, de beperkte bewegingsvrijheid waartoe hij als jonge vader is veroordeeld, de nietserige gesprekjes met ouders die hij van de crèche kent: Knausgard spaart niemand, zichzelf zeker niet.
Dat alles maakt het lezen van Mijn Strijd tot een bijna claustrofobische ervaring. Het maakt mijn eigen trage dagen weer voelbaar. ’s Ochtends in alle vroegte beneden in de huiskamer en geen kant op kunnen. Een jonge vader met verantwoordelijkheden. Boven ligt eega uit te slapen, buiten is het nog donker, zelfs de ochtendkrant ligt nog niet op de mat. Enkel ik, de weerloze kleintjes en onnozele kinderliedjes op een cassettebandje (ik-mag-wel-wat-drinken-als-ik-jarig-ben).
Het is niet dat ik toen beslist niet wilde vergeten want het was ook schitterend. Maar het gevoel dat Knausgard weet op te roepen over mijn trage dagen, relativeert mijn zoete weemoed. Dat is mooi meegenomen op een dag als vandaag waarop onze jongste de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt.

 

Brief

heelal
Hooggeachte energiebeheerder van het universum,

Ik schrijf u deze brief zonder zeker te weten of u bestaat. Inderdaad, hieruit kunt u opmaken dat er iets is dat me erg hoog zit. Ik maak me zorgen, grote zorgen.

Niet om u het gras voor de voeten weg te maaien maar laat ik beginnen met te stellen dat ik vind dat we in principe onze zaakjes hier zelf moeten zien te regelen. Ik kan me bovendien goed voorstellen dat u geen tijd heeft om voor ieder wissewasje in een of andere uithoek van het heelal te moeten opdraven. Vergeef me, ik moet dit kwijt en dit is geen geen kleinigheid. En verzachtende omstandigheid: het is de eerste keer dat ik me tot u richt. Zelfs decennia geleden toen doem en duisternis lange schaduwen wierpen in ons leven in een tijdperk dat wij hier de Koude Oorlog noemden, hield ik me stil. Waarbij de eerlijkheid me gebiedt te zeggen dat ik waarschijnlijk te jong en argeloos was om de ernst van de situatie in te zien.

Nu ligt dat anders. Er gebeuren hier dingen waarvan ik het donkere vermoeden heb dat ze met een plotseling veranderde stand van de sterren, planeten, kometen en ruimtegruis te maken hebben. Klein bier voor u waarschijnlijk, maar er gaat geen dag voorbij hier of de man wiens naam ik liever niet noem – een misantropische, narcistische machtswellusteling – trekt hier aan een touwtje waarmee wij met zijn allen dieper het aardse moeras in zinken.

Ik heb een tijdje de naïeve gedacht gekoesterd dat hij, wiens naam ik nog steeds liever niet noem, er niet mee weg komt. Almachtig is hij immers niet. Ik ga u niet vermoeien met hoe wij hier de zaken hebben geregeld, maar het heeft te maken met checks and balances. Een zaak van evenwicht. Dat zal u waarschijnlijk aanspreken. En, even kortzichtig, heb ik me vastgeklampt aan het idee dat er genoeg mensen met gezond verstand in de omgeving verkeren van hem wiens naam ik nog steeds niet wil noemen. Om de man op verstandigere gedachten te brengen. Hetgeen spijtig genoeg niet het geval blijkt te zijn. Tel daarbij op dat we hier ook nog eens zitten opgescheept met nog een paar boosaardige machtige mannetjes. En dat moet dus iets met de veranderde energie in uw machtige universum te maken hebben. Een andere verklaring heb ik niet. Hoe het ook zij: wij, onbeduidende schepsels in het ondermaanse, staan machteloos.

Dus: mocht u tijd hebben om met een paar flinke draaiingen aan universele knoppen de zaak weer op een goeie manier aan de gang te krijgen hier, dan ben ik u eeuwig dankbaar.
En, zo durf ik te stellen, ontelbare aardgenoten met mij.

 

 

Strijklicht

strijklicht
Het is halverwege de avond als ik op het stilleven aan de muur stuit. Twee vrouwen blootsvoets in het rulle zand. Ze breken op in het strijklicht. De een heeft een handdoek in haar handen en kijkt naar haar vriendin, ze draagt een zonnebril. De ander schikt haar zomerjurk die ze waarschijnlijk net over haar opgedroogde bikini heeft aangetrokken. Haar blik gaat naar beneden, naar het zand.
Zijn we niets vergeten, kunnen we gaan?
Prachtig vastgelegd door Marcel Schellekens*, dit moment aan het einde van een zomerse dag aan zee. We kennen het allemaal. Moe, tevreden en rozig. Verlangend naar een douche die het zand van je lijf spoelt en een koud biertje of een glas koele witte wijn.
De zon gaat straks onder na een dag van loom liggen, lezen en intermezzo’s in de golven.
Wat rest is de zwoele avond, de nazit van een zomerse dag.

Ik heb het tafereel al vaker gezien hier op de wc van vrienden waar we oud & nieuw vieren. Vanavond maakt het meer indruk dan anders. Misschien omdat ik al snak naar de zomer, terwijl de winter nog maar net is begonnen. Of omdat er met een beetje fantasie een parallel valt te trekken tussen het zomerse schouwspel en deze oudejaarsavond, hoe mistig en koud het buiten ook is. Ons rest nog een paar uur tot we het jaar van ons afspoelen, of beter – afvegen – als poedersuiker die we op onze kleding hebben gemorst.
Maar tevreden over het voorbije jaar kunnen we niet zijn, in elk geval niet in wereldwijd perspectief.

Ik keer terug naar het gezelschap. Straks knallen de champagnekurken, wensen we elkaar het beste in de stille hoop dat 2017 ons beter gaat bevallen dan zijn voorganger.
Morgen slapen we onze roes uit. En vervolgens wacht ons 2 januari, de dag waarop alle kruitdampen en de mist zijn opgetrokken. De dag waarop we de lethargie van ons afschudden, we ons werk hervatten en een begin maken met onze goede voornemens in daden om te zetten. Dat we ons niet meer gek zullen laten maken bijvoorbeeld, door wie of wat dan ook. Maar dat we dan al beseffen dat we straks net zo hard zullen doordraven als in ieder ander jaar waarin we datzelfde voornemen koesterden.
Kleine troost. Hij zal vast opduiken ergens komend jaar: zo’n heerlijke lome zomerse dag aan zee.

*Marcel Schellekens.

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑