Zoeken

Stomp scherpt aan

Anekdotes uit het kleine leven

Toch. Maar. Niet.

tatoeeerder

Ken je die mop over de man die een tatoeage zou nemen?
Hij nam hem niet.

‘Ben je nu al terug?’, vraagt echtgenote.
‘Ik doe het toch maar niet’, zeg ik terwijl ik mijn jas weer uittrek.
Haar lach zou je schamper kunnen noemen. Maar met enkel die kwalificatie zou je hem tekort doen. Van buiten een krokant laagje leedvermaak maar van binnen is haar lach vol en gemeend. Een prachtig bewijs van haar geweldige gevoel voor humor.
Eerlijk is eerlijk: ik zou in haar positie dubbel hebben gelegen.
Maandenlang had ik de beslissing voor me uitgeschoven. Wikkend en wegend, voordelen en nadelen tegen elkaar afwegend. Adviezen van vrienden – voorstanders en tegenstanders – had ik scherp tegen het licht gehouden. Ik had talloze oefentatoeages geplakt om er aan te wennen en om de ideale locatie op mijn lijf te kunnen bepalen. En ik was een tijd geleden op een verdwaalde zaterdagmiddag de uitverkoren tatoeagewinkel binnengelopen. Wat zo’n ding ongeveer zou gaan kosten en of ik van tevoren een afspraak moest maken. Niet over één nacht ijs. En echtgenote had ik natuurlijk meer dan eens betrokken in het beslissingsproces. Begaan als ze is met dat soort essentiële vraagstukken, neem je haar daar natuurlijk graag in mee. Draagvlak creëren. Dat ze op een keer op kordate toon zei: ‘zet dat ding dan gewoon!’, beschouwde ik als het beslissende zetje dat ik nodig had. Zelfs een nieuwsbericht op teletekst (‘nog steeds veel kankerverwekkende stoffen in tatoeage-inkt’) weerhield deze hypochonder niet.
Vandaag ga ik het doen.

Ik beslis binnen een minuut over vakantiebestemmingen, een aan te schaffen bankstel of een omvangrijke verbouwing in huis. En krijg daarvan nooit spijt. Waarom zou je?
Maar de onomkeerbaarheid van dit, een in vier vierkante centimeter zwarte inkt vervat boeddhistisch symbool op mijn linkerbeen, maakt dat de twijfel zich ineens met een hoofdletter T in mijn gedachten nestelt. Ter hoogte van het stadskantoor, nog niet eens halverwege de fietstocht naar de tattooshop, voel ik dat mijn benen de trappers langzamer rond krijgen. Driehonderd meter verder, dirigeer ik mijn fiets in de tegenovergestelde richting.
Toch. Maar. Niet.
‘Waarom wilde je hem eigenlijk?’, vraagt echtgenote.
Ik kan geen coherent antwoord bedenken, het bewijs dat het tatoeageboek nu definitief dicht is. Een nieuw  post midlife crisis project verzinnen dan maar. Buitenechtelijke relatie. Tenminste wat minder in het oog springend.

Trage dagen

 

trage_dagen
Een vriend verkeerde midden in een scheiding. We zaten in het café en hij deed zijn verhaal. Het was voorbij en het deed zeer, heel erg zeer. Ik kreeg een inkijkje in de slotscène van zijn huwelijk. De crisis was begonnen met de vraag: wat hebben we eigenlijk nog, wij samen?
Een gevaarlijke vraag natuurlijk.
Niet veel later stortte het bouwwerk in.
´Ik stond tegen de eettafel geleund’, zei mijn vriend, ‘en zij zat op de bank in de woonkamer. We zeiden een tijdlang niets. Een ijzige sfeer, het was ellendig.´
Hij nam een slok van zijn bier en ging verder. ‘Terwijl ik daar stond, dacht ik: ik hoef me later enkel maar te herinneren hoe verschrikkelijk ik me nu voel om zeker te weten dat we een goede beslissing hebben genomen. Maar het beroerde is, ik kan dat gevoel niet meer oproepen. En nu weet ik dus niet meer zo goed waarom we uit elkaar gaan.’
Hij verkruimelde langzaam maar trefzeker het bierviltje dat naast zijn glas lag.
We vergeten. Ook als we beslist niet willen vergeten.

Ik moest aan deze anekdote denken tijdens het lezen van Liefde, het tweede deel van de 5-delige serie Mijn Strijd van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgard. Fascinerend hoe hij de worsteling met zijn kleine leven beschrijft. De hoofdpersoon – Knausgard zelf want het boek is honderd procent autobiografisch – is schrijver, getrouwd en vader van drie kleine kinderen. En dat levert gedoe op, heel veel gedoe. Met zichzelf en met zijn omgeving. Knausgard ontleedt minutieus zijn trage dagen tot op het bot. Het grut dat jengelend aan zijn broek hangt, de beperkte bewegingsvrijheid waartoe hij als jonge vader is veroordeeld, de nietserige gesprekjes met ouders die hij van de crèche kent: Knausgard spaart niemand, zichzelf zeker niet.
Dat alles maakt het lezen van Mijn Strijd tot een bijna claustrofobische ervaring. Het maakt mijn eigen trage dagen weer voelbaar. ’s Ochtends in alle vroegte beneden in de huiskamer en geen kant op kunnen. Een jonge vader met verantwoordelijkheden. Boven ligt eega uit te slapen, buiten is het nog donker, zelfs de ochtendkrant ligt nog niet op de mat. Enkel ik, de weerloze kleintjes en onnozele kinderliedjes op een cassettebandje (ik-mag-wel-wat-drinken-als-ik-jarig-ben).
Het is niet dat ik toen beslist niet wilde vergeten want het was ook schitterend. Maar het gevoel dat Knausgard weet op te roepen over mijn trage dagen, relativeert mijn zoete weemoed. Dat is mooi meegenomen op een dag als vandaag waarop onze jongste de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt.

 

Brief

heelal
Hooggeachte energiebeheerder van het universum,

Ik schrijf u deze brief zonder zeker te weten of u bestaat. Inderdaad, hieruit kunt u opmaken dat er iets is dat me erg hoog zit. Ik maak me zorgen, grote zorgen.

Niet om u het gras voor de voeten weg te maaien maar laat ik beginnen met te stellen dat ik vind dat we in principe onze zaakjes hier zelf moeten zien te regelen. Ik kan me bovendien goed voorstellen dat u geen tijd heeft om voor ieder wissewasje in een of andere uithoek van het heelal te moeten opdraven. Vergeef me, ik moet dit kwijt en dit is geen geen kleinigheid. En verzachtende omstandigheid: het is de eerste keer dat ik me tot u richt. Zelfs decennia geleden toen doem en duisternis lange schaduwen wierpen in ons leven in een tijdperk dat wij hier de Koude Oorlog noemden, hield ik me stil. Waarbij de eerlijkheid me gebiedt te zeggen dat ik waarschijnlijk te jong en argeloos was om de ernst van de situatie in te zien.

Nu ligt dat anders. Er gebeuren hier dingen waarvan ik het donkere vermoeden heb dat ze met een plotseling veranderde stand van de sterren, planeten, kometen en ruimtegruis te maken hebben. Klein bier voor u waarschijnlijk, maar er gaat geen dag voorbij hier of de man wiens naam ik liever niet noem – een misantropische, narcistische machtswellusteling – trekt hier aan een touwtje waarmee wij met zijn allen dieper het aardse moeras in zinken.

Ik heb een tijdje de naïeve gedacht gekoesterd dat hij, wiens naam ik nog steeds liever niet noem, er niet mee weg komt. Almachtig is hij immers niet. Ik ga u niet vermoeien met hoe wij hier de zaken hebben geregeld, maar het heeft te maken met checks and balances. Een zaak van evenwicht. Dat zal u waarschijnlijk aanspreken. En, even kortzichtig, heb ik me vastgeklampt aan het idee dat er genoeg mensen met gezond verstand in de omgeving verkeren van hem wiens naam ik nog steeds niet wil noemen. Om de man op verstandigere gedachten te brengen. Hetgeen spijtig genoeg niet het geval blijkt te zijn. Tel daarbij op dat we hier ook nog eens zitten opgescheept met nog een paar boosaardige machtige mannetjes. En dat moet dus iets met de veranderde energie in uw machtige universum te maken hebben. Een andere verklaring heb ik niet. Hoe het ook zij: wij, onbeduidende schepsels in het ondermaanse, staan machteloos.

Dus: mocht u tijd hebben om met een paar flinke draaiingen aan universele knoppen de zaak weer op een goeie manier aan de gang te krijgen hier, dan ben ik u eeuwig dankbaar.
En, zo durf ik te stellen, ontelbare aardgenoten met mij.

 

 

Strijklicht

strijklicht
Het is halverwege de avond als ik op het stilleven aan de muur stuit. Twee vrouwen blootsvoets in het rulle zand. Ze breken op in het strijklicht. De een heeft een handdoek in haar handen en kijkt naar haar vriendin, ze draagt een zonnebril. De ander schikt haar zomerjurk die ze waarschijnlijk net over haar opgedroogde bikini heeft aangetrokken. Haar blik gaat naar beneden, naar het zand.
Zijn we niets vergeten, kunnen we gaan?
Prachtig vastgelegd door Marcel Schellekens*, dit moment aan het einde van een zomerse dag aan zee. We kennen het allemaal. Moe, tevreden en rozig. Verlangend naar een douche die het zand van je lijf spoelt en een koud biertje of een glas koele witte wijn.
De zon gaat straks onder na een dag van loom liggen, lezen en intermezzo’s in de golven.
Wat rest is de zwoele avond, de nazit van een zomerse dag.

Ik heb het tafereel al vaker gezien hier op de wc van vrienden waar we oud & nieuw vieren. Vanavond maakt het meer indruk dan anders. Misschien omdat ik al snak naar de zomer, terwijl de winter nog maar net is begonnen. Of omdat er met een beetje fantasie een parallel valt te trekken tussen het zomerse schouwspel en deze oudejaarsavond, hoe mistig en koud het buiten ook is. Ons rest nog een paar uur tot we het jaar van ons afspoelen, of beter – afvegen – als poedersuiker die we op onze kleding hebben gemorst.
Maar tevreden over het voorbije jaar kunnen we niet zijn, in elk geval niet in wereldwijd perspectief.

Ik keer terug naar het gezelschap. Straks knallen de champagnekurken, wensen we elkaar het beste in de stille hoop dat 2017 ons beter gaat bevallen dan zijn voorganger.
Morgen slapen we onze roes uit. En vervolgens wacht ons 2 januari, de dag waarop alle kruitdampen en de mist zijn opgetrokken. De dag waarop we de lethargie van ons afschudden, we ons werk hervatten en een begin maken met onze goede voornemens in daden om te zetten. Dat we ons niet meer gek zullen laten maken bijvoorbeeld, door wie of wat dan ook. Maar dat we dan al beseffen dat we straks net zo hard zullen doordraven als in ieder ander jaar waarin we datzelfde voornemen koesterden.
Kleine troost. Hij zal vast opduiken ergens komend jaar: zo’n heerlijke lome zomerse dag aan zee.

*Marcel Schellekens.

 

Rug in brand

cupping
‘Ook cupping?’, vraagt ze. ‘Ja, doe maar.’
Terwijl ik verwoede pogingen doe te ontspannen, probeer ik te achterhalen wat het ook al weer is, cupping. Iets met jampotjes toch en ging die Olympische golddigger er niet harder van zwemmen? Zij kan mij er niet zoveel over vertellen, daar is haar Nederlands te ontoereikend voor.
Ik hoor dat ze met glaswerk en vlammetjes in de weer is.
Geef je over.
Dit doen ze al eeuwen, die Chinezen.
Het zal wel ergens goed voor zijn.

Ze zitten hier in de buurt zo’n beetje op elke hoek van de straat: Chinese medical centers. Niet te verwarren met de Happy Ending Salons. Vanwege acute last van rug, nek en schouders trakteer ik mezelf vandaag op een stevige massage. Met weinig woorden maar verdomd effectief heeft Kleine Mevrouw Met Krachtige Handen me doen belanden op de plek waar ik me nu bevind: op de massagetafel, in mijn onderbroek.

‘Kom!’ ‘Daa’heen!’ ‘Liggen!’ ‘B’oek ook uitdoen ja!’
Als ze de glaasjes – het zijn er geloof ik zes – op mijn rug vacuüm trekt, heeft ze me al een half uur stevig onder handen genomen. Daarbij heb ik ondertussen met wisselend succes de mantra ‘Pijn is fijn’ gereciteerd. Ze trekt een paar potjes over mijn rug, van mijn schouders tot ergens in het midden. Ook dan komt de mantra weer langs. Dit keer met drie vraag- en uitroeptekens erachter. Ik vermoed dat levend gevild worden aanvoelt als dit.

Na een kwartiertje – ze is even met andere zaken in de weer geweest – komt Kleine Mevrouw de glaasjes eraf halen. Er valt haar kennelijk iets op. Ze haalt er een collega bij voor nadere inspectie. Uit de toon van hun gesprek maak ik op dat er iets niet helemaal in de haak is. Ze maakt voor mij een foto van de rampplek. Wat ik zie is een rug die een paar uur achter elkaar onderhanden is genomen door een paar potige types van de geheime dienst van een of ander duister dictatoriaal regime. Diep donkerrode cirkels op mijn schouders en all over the rest of the place. En een stuk of wat brandblaren in het epicentrum. ‘Niet goed’, zegt ze en dat ik de komende 24 uur niet moet douchen.

Even later sta ik ontredderd buiten en is de hypochonder in mij ontwaakt. Donkere plekken, niet goed, o wee. Thuisgekomen stel ik de liefde van mijn echtgenote op de proef door mijn Quasimodorug te tonen. Als ze is bekomen van de grootste schrik, raadt ze me aan even bij vriend J. langs te gaan die huisarts is. Na enige schroom doe ik dat. Maar niet voordat ik cyberchonderend het internet afstruin op het trefwoord cupping. Ik stuit op afzichtelijke foto’s. In een filmpje zie ik pas hoe zo’n behandeling in zijn werk gaat en hoe ver die molshopen op je rug omhoog komen. ‘Werking cupping niet aangetoond’, zegt Wikipedia. En: ‘Tweede Kamer wil onderzoek naar cupping.’

‘Djiesus!’, hoor ik J. zeggen als ik gedwee heb gedaan wat hij mij vraagt: mijn rug ontbloten. Ik troost me met de gedachte dat hij dit zegt als vriend die empathie toont met een gekwelde kameraad. En niet als een bezorgde professional.
Beetje calendula erop en voorlopig geen vocht erbij.
‘Ik zou het niet meer doen’, zegt hij glimlachend als ik mijn trui weer over mijn hoofd trek en hem vraag wat hij van cupping vindt.

Weer thuisgekomen, neem ik in de spiegel nogmaals de schade op.
Best stoer, vindt echtgenote nu. ‘En je wilde toch een tattoo?’

 

Mijn nachten met de aankomende president

usa
Wat een contrast met acht jaar geleden. In mijn eentje aan de buis gekluisterd, ver na middernacht. Ik kan niet naar bed gaan zonder dat ik de uitslag weet. Dezelfde onbedwingbare neiging als wanneer je in de wacht hangt bij een of andere helpdesk. Je kunt niet meer terug.
Het is het wachten waard. Een cocktail van omstandigheden maakt dat de tranen over mijn wangen biggelen: opgekropte spanning, vermoeidheid, oprechte hoop op een fundamentele verandering en vooral het besef deelgenoot te zijn van een historisch moment: zojuist is de eerste zwarte president van Amerika gekozen. Ja, het voelt een beetje alsof het mijn president is waar ik naar kijk.

Gisteravond: ik ga naar bed, laat maar niet na middernacht. Met de gedachte dat gezond verstand aan het langste eind trekt. Maar helemaal gerust ben ik er niet op. Rond twee uur word ik wakker. Alsof mijn biologische wekker staat afgesteld op de uitslag van de Swing State Florida. Vanaf dat moment breng ik de nacht slaapwakend door. Mijn smartphone met nieuwsapp binnen handbereik. Het eerste half uur nog in de ijdele hoop dat het nieuws dat Clinton deze staat in the pocket heeft, binnenrolt. En ik zoet en argeloos de slaap kan hervatten.
Not.
Rond half vijf dommel ik in slaap en word dan om zes uur wakker met het nieuws dat Trump op weg is naar het Witte Huis. Nu zijn het op mijn gezicht geen tranen maar zweetdruppels die zich verzamelen. Mijn gedachten zijn onsamenhangend en schieten alle kanten op. Ik denk aan Lee Harvey Oswald en samenzweringstheorieën, aan het weergaloze boek The Plot Against America van Philip Roth, aan een liedje van Lou Reed, aan Trump zelf die misschien wel een beetje bang is nu. En dat ik boos wil zijn maar niet goed weet op wie.
Dan val ik in slaap en komt Obama langs in een droom.
Als ik aan het ontbijt zijn overwinningsspeech bekijk, zie ik een presidentiële Trump. Kalm en verzoenend. Natuurlijk, het zijn de regels van het spel. Er heeft bloed gevloeid, je tegenstander ligt dodelijk verwond in de andere hoek van de ring – maar je prijst haar de hemel in en roept het land op tot eenheid. Noem me naïef maar hoop, het woord is ineens terug in mijn gedachten. De hoop dat het mee gaat vallen.
De tijd zal leren hoe ijdel die hoop is. Maar meer is er niet om ons aan vast te klampen.
Aan onheilsprofeten hebben we nu in elk geval niets.

Bungyjump tatoeage

tattoo
‘Tja, we weten sinds deze week dat pijn relatief is. Maar het was hel!’
Tijdens de stilteretraite was mijn blik een paar keer blijven hangen op de rechtervoet van een van de deelnemers. Aan de zijkant, tussen de enkel en de zool, had de man een tatoeage. Er stonden Griekse letters. Nadat we weer mochten spreken vroeg ik hem ernaar. Goeie plek vond ik het, subtiel wel. De drager, een Deense twintiger, legde uit wat het symbool betekende. Dat antwoord ben ik alweer vergeten. Maar niet wat hij zei over de pijn bij het laten zetten van de tattoo.
Die plek moest het maar niet gaan worden.
Daarna zag ik ze ineens overal. Op andermans arm, nek, schouder, kuit. En toen de nazomer piekte – en ik bij het water te vinden was wanneer dat maar kon – op nog veel meer en andere plekken van de lijven die in mijn blikveld verschenen.
Dat ik er een wilde stond eigenlijk wel vast.
En dat ik dan zou wachten tot de woorden van mijn dochter in mijn hoofd zouden zijn uitgeëchood (‘Midlife crisis pap!’). En die van haar vriendin (‘Je vader is te oud voor een midlife crisis!’).
Maar dat ik  niet over één nacht ijs wilde gaan.
Met het gevolg dat ik al wekenlang op diverse plekken op mijn lijf afwasbare plaatjes aan het plakken ben. Bungyjump tatoeages, ik kan me er geen buil aan vallen. Tot het moment dat ik een weloverwogen besluit heb genomen en een tattooshop binnenwandel. Ik weet dus nog niet precies waar ik hem laat zetten maar wel wat het moet worden: Het polyvalente OM-symbool. Omdat je niet tot in de lengte van dagen vrijblijvend kunt blijven beweren dat je een sympathiserend boeddhist bent. Tijd om een daad te stellen.
Ach, dat laatste klinkt eigenlijk wat pathetisch. De wereld zal niet veranderen door een paar druppels inkt die ik in mijn huid laat spuiten. Niettemin ben ik er van overtuigd dat zelfs het kleinste kiezelsteentje dat we in het water werpen iets teweeg brengt. Het liefst iets goeds natuurlijk.

 

 

 

 

 

 

 

De boot gemist

reddingsboei
De bordjes zijn natuurlijk al een tijdje verhangen – ik ben van het midden naar de rand gedreven in het leven – maar soms word je er nog eens fijntjes met je neus opgedrukt.
Een collega zegt iets over broederliefde. Ja, ik heb er drie en mag hen graag. Maar ze bedoelt iets anders, het is met een hoofdletter B, rappers uit Rotterdam.
Nooit van gehoord zeg ik.
Haar wenkbrauwen schieten vier centimeter omhoog.
‘O ja, jouw kinderen zijn natuurlijk al weer te oud.’
Die avond zit ik met echtgenote en koffie op de bank naar het journaal te kijken, ons senioren in spé geluksmoment, en er rolt een item voorbij. Over Broederliefde. Dertien jaar oud record gebroken. Hun Nederlandstalig album staat langer op nummer 1 dan dat van de oude recordhouder: onze volkszanger Frans Bauer (hé die ken ik!).
OMG. Ik voel me als een glazig kijkende Wim Kok die vruchteloos met de muis in zijn handen in de richting van het beeldscherm mikt.
Ergens de boot gemist. Maar waar?
De uppercut van vanochtend (‘jouw kinderen zijn natuurlijk al weer te oud’) dreunt na in mijn hoofd. Okay, dochter is al drie jaar uit huis. Dus ben ik al een tijdje beroofd van haar muzikale sondevoeding die mij bij de tijd houdt en bij de jeugd van tegenwoordig (of schrijf je dat met hoofdletters?). Zoals ik vroeger mijn gretige moeder voorzag van een verjongingskuur in de vorm van mijn cassettebandjes van new wave bandjes.
En zoon dan, de resterende reddingsboei thuis? Zeer muzikaal angehaucht dat is het probleem niet. Maar meestal loopt hij met oortjes in door het huis. In zijn eigen muzikale universum: Spotify. En beperkt de conversatie zich tot dialogen als: ‘Wil jij de vaatwasser uitruimen?’ en een op te luide toon uitgesproken: ‘Wat?!’
Eigen verantwoordelijkheid dan. Nee, ik luister niet naar 538 en Radio 3. Ik kan het geleuter van die deejays niet meer verdragen. Kennelijk ook signalen van aanhollende senioriteit.
Nu dan maar vast de data noteren van de start van de voorverkoop voor alle festivals in 2017. Vinger  aan de muis voor Lowlands, Into the Great Wide Open, Best Kept Secret, Down the Rabbit Hole.
Boot gemist maar vanaf vandaag spurt ik er als Ferry Weertman achteraan.

 

 

Contrapunt

Contrapunt

We liepen zwijgend langs zijn tent, bijna sluipend.
Tevergeefs, hij had ons gezien.
‘Hallo ihr zwei.’
We hielden halt, mijn vriendin en ik. En streken over ons hart. We namen Uwe vandaag mee Budapest in.

Het was 1988 en Hongarije was het Oostblokland waar je eenvoudig naar op vakantie kon. Dat gold ook voor Uwe uit de DDR. Moederziel alleen was hij hier op deze camping bij Budapest, deze sprieterige Bursche met een pokdalig gezicht. Zijn kompaan, net als hij afkomstig uit Cottbus, kon niet komen vanwege een ongeluk met de motor.
Uwe wilde vrienden met ons worden, mensen uit het vrije westen.

Onze dagtrip eindigde op het terras van het campingcafé. We dronken Hongaars slempbier dat alleen per halve liters ging.
Het zelfvertrouwen van Uwe groeide met iedere slok. Vrijuit sprak hij nu. Dat het Oost-Duitse politieke systeem waardeloos was. Alles in het Westen was sowieso beter dan in zijn land.
Ineens nam een andere man plaats aan ons tafeltje. Ongevraagd. Kalm en met een natuurlijk overwicht begon hij aan zijn verhaal. Zijn contrapunt. Dat Genosse Uwe selbstverständlich net volstrekt de plank had misgeslagen. Het ging juist erg goed in de DDR.
Uwe trok wit weg. En hij kromp weer tot afmeting van de veldmuis die hij tot vanavond was.
Hij had hem over het hoofd gezien, deze luistervink.

Maanden later ontvingen we een ansichtkaart uit Cottbus. Dat hij een moeilijke tijd achter de rug had. Dat verklaarde dat we niet eerder iets van hem hadden vernomen. Maar nu weer alles gute. Onderaan de kaart van Uwe stond: Sie lebe hoch, die Deutsche Demokratische Republik.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑