Zoeken

Stomp scherpt aan

Anekdotes uit het kleine leven

Gevallen

Margriet
‘Mama is gevallen en op weg naar het ziekenhuis.’ Rampspoedtekst op mijn smartphone in het venster van WhatsApp. Oudste broer houdt broers nummer twee, drie en vier op de hoogte van de ontwikkelingen. Hijzelf en broer twee zijn vanuit het noorden en zuiden van het land al op weg naar het ziekenhuis in Groningen.
Niet veel later blijkt wat de schade is: een gebroken heup. Oorzaak is een onfortuinlijke val in de keuken weten we inmiddels. Mama wordt vanavond nog geopereerd, meldt broer 2 nu via de broergroep waarin we elkaar steeds meer berichten sturen.
Ziekte en ander onheil dringen zich steeds verder op in familie- en vriendenkring. De loop der dingen. Maar tot nu toe wist mijn moeder, 86 jaar oud, de dans te ontspringen. Kwalen beperkt gebleven tot ongemakken, het hoofd nog best wel fris en nog zelfstandig wonend in het huis waarin ik een deel van mijn jeugd doorbracht.
Ze ziet op tegen de operatie, bang om niet te ontwaken uit de narcose, zegt oudste broer aan de telefoon.

Gek is dat, hoe oud ze ook is en hoe vaak ik me ook eerder ervan heb proberen te doordringen: dit bericht maakt dat haar sterfelijkheid pas werkelijk tot me doordringt. En roept een herinnering aan heel vroeger op.

Buiten heerst de lome tropische middaghitte. Vanuit de verte klinkt het roestige en ritmische geluid van de ronddraaiende wieken van een ijzeren windmolen. De stemmen van mijn broers in de tuin, voetballend, of in de weer met de zeepkist. En hier lig ik, in bed naast mama. Rusten moet ik want ik ben nog klein. Ze leest voor uit Pluk van de Petteflet. Meer nog dan met het verhaal en de tekening van de Stampertjes met die vreemde, rechtopstaande haren laat ik me meeslepen door de bewegingen van de handen van mijn moeder. Wijsvinger en duim van rechterhand telkens naar haar mond. Ze maakt met haar lippen haar vingers vochtig. De twee vingers die ze zachtjes tegen elkaar aan wrijft. Dan weer naar het hoekje van de bladzijde om die om te slaan. Het knerpende papier. Bladzijden van de Margriet waarin het verhaal van Pluk staat.

Drie dagen later in het ziekenhuis. Ik tref een opmerkelijk kranige vrouw die haar best doet om zich te verzoenen met wat haar is overkomen. En zich weer opricht, met nieuwe heup en al. Okay, een dag later is ze aanvankelijk sikkeneurig en klaagt ze omdat de T-shirts die ik uit haar huis heb meegenomen niet de juiste zijn. ‘Waarom die zwarte en grijze en niet die fleurige, daar heb ik er heel veel van hangen.’ Zo kennen we haar ook weer. Van me af laten glijden denk ik. Wat zou ik doen als ik hier zou liggen?

Weer drie dagen later verhuist ze naar het verpleeghuis om te reactiveren. Ook zij meldt zich per WhatsApp, in  de groep Moeder en zonen. ‘Net gelezen tijdens wandeling: “Houd vast wat versterkt, laat los wat niet werkt.” Kunnen we wel wat mee.’
Een crisis is ook een kans, zegt een Chinees karakter.

 

Advertenties

Zwart pareltje

‘Gewoon blijven lachen kind en af en toe vreemd gaan.’
Zo’n vier jaar geleden was het, ze moet toen al zeventig geweest zijn. Mijn echtgenote vroeg hoe ze het toch allemaal flikte: zo jong van geest en uiterlijk nog – ze zag er uit alsof ze net de zestig had aangetikt. Zo bruisend nog en zo positief. Dat vooral, zo positief. Want wat had ze het voor haar kiezen gekregen in het leven. Een zoon dodelijk verongelukt op zijn negentiende, haar man relatief jong gestorven en een kleindochtertje dat stierf aan wiegendood. Dieptepunten uit een veel langere reeks. Maar zelf niet stuk te krijgen.

Het was een citaat van Annie M.G. Schmidt maar ze had het zelf bedacht kunnen hebben. En ze zei het met die karakteristieke stem die klonk als een helder glas water. Klinkklaar Zuid-Hollandse tongval met een toefje Suriname.
Het pseudoniem dat de kern van haar mailadres vormde, vond ik onovertroffen. Een mooie mengeling van branie en trots: zwartpareltje.

Ruim twee jaar geleden belde ze me, een paar maanden na de diagnose was dat – ze had  inmiddels de operatie er op zitten. De tumor in haar hoofd was zoveel mogelijk weggehaald, in zijn geheel ging niet. Ze nam een lange aanloop voor ze me de vraag stelde, de aanleiding voor haar belletje. Hoe ze in het ziekenhuis uren lag te wachten op de operatie die uiteindelijk tweemaal niet doorging. Niks gegeten en gedronken en daardoor verzeilde ze in dat ziekenhuisbed in een droomwereld. Een schemergebied tussen waan en werkelijkheid, zoals ze dat noemde. Over de oceaan, terug in de tijd naar haar ouderlijk huis op Curaçao: Zeelandia 27. En dat ze door deze ervaring was gaan beseffen hoe bijzonder het leven van haar ouders was geweest. Wat hadden ze veel meegemaakt, wat een doorzetters, vooral haar moeder. Vanuit geboorteland Suriname naar Curaçao met de boot vertrokken aan het eind van de jaren twintig van de vorige eeuw. Mijn Creoolse grootvader en mijn grootmoeder met familiewortels in China. Elf kinderen baarde mijn oma – elk even jaren tussen 1930 en 1952, als in een koele rekenkundige reeks. Twee ervan overleden als baby en peuter.
En – nu kwam het – of ik misschien samen met de andere schrijvende neef hun opmerkelijke levensgeschiedenis op papier zou kunnen zetten.
Neef en ik gingen aan het werk. Gaven er onze eigen draai aan – verweven fictie en werkelijkheid. En hoewel we nog niet ver zijn en onze missie misschien nooit afkomt; wel fijn dat onze tante een deel* heeft kunnen lezen.

Langzaam gleed ze weg de laatste maanden. Mijn broers en ik bezochten haar in het hospice met de wat ongemakkelijke naam Bijna Thuis. We troffen een allesbehalve geknakte vrouw aan. Fier in bed zat ze, opgemaakt en wel en getooid met sierlijke oorbellen. Haar linkerflank verlamd maar nog geen spoor van een capitulatie voor de dood. Het praten ging wat moeizamer maar haar verhalen bleven opborrelen. Op de achtergrond klonk zachtjes de radio. ‘Feyenoord speelt vanmiddag’. Niet dat ze fan was. Het maakte haar tot een kleine kamer gereduceerde wereld groter, dat was het denk ik vooral.

Haar rieten mand hebben we naar haar graf gedragen. Met zeven neven, dat wilde zij zo. In de kerk – dat had ze vooraf ook geregisseerd – mengde een heilige katholieke mis zich met toespraken van dierbaren en liedjes van Ella Fitgerald, Billie Holiday (Lady sings the blues) en de Surinaamse balladezanger Max Nijman (Adjosi – vaarwel). Op een moment beeldde ik me in dat ze vanachter een van de grote pilaren in die grote koude kerk in Zoetermeer naar ons stond te kijken, glimlachend en wel. ‘Ja, ja. Een wonderlijke dienst. But that’s me.’
Adjosi tante.

*Mijn opa, Herman Ludwich Stomp en mijn oma, Helena Helouise Ong A Swie, vertrekken in 1929 naar Curaçao. Hij eerst – ze trouwen met de handschoen aan – zij volgt later. Hij krijgt een baan bij de olieraffinaderij. Dan breekt de economische crisis uit en vreest hij voor ontslag. Hij stuurt mijn oma terug naar Suriname (‘daar is in elk geval je moeder die voor je kan zorgen’). Samen met mijn vader (nog geen 2 jaar) oud vertrekt ze met de boot. Onderweg wordt mijn tante Bea geboren.
Lees hier het fictieve biografische verhaal dat ik schreef met die gegevens in mijn achterhoofd.

 

 

 

Plaatjes draaien

We treffen elkaar voor het station in Groningen. Dan lopen we samen op naar een café in de binnenstad. ‘Statement vanwege de hoes?’ vraagt Henk en wijst naar mijn crèmekleurige puntschoenen.
‘Nee, puur toeval’, zeg ik. ‘Ik heb ze al een tijdje.’

Een jaar of vier geleden op LinkedIn: ‘Ha Olaf, wij hebben elkaars platen nog.’ Zijn bericht vormde de opmaat naar een prettig weerzien niet lang daarna. Maar we vergaten de elpees mee te nemen.
Vandaag zetten we dat recht.

Met Henk voelde ik een zekere verwantschap. We hielden van dezelfde muziek, hadden hetzelfde gevoel voor humor en hij leek me ook nog niet klaar voor de confrontatie met het echte leven. Hoewel hij wel een voorsprong had: een paar jaar ouder en in de weekends kluste hij bij als freelance journalist voor een huis-aan-huisblad in thuisstad Hengelo. Ik was groener want kwam net van de middelbare school.
Wat ons verder bond was dat we beiden voortijdig afhaakten op de pedagogische academie.  We stopten gelijktijdig, na vijf maanden ongeveer.  Dat was niet lang na de stageperiode waarin we ons badend in het zweet terugvonden voorin een klaslokaal met 11 en 12-jarige stuiterballen. In alle vroegte paraat op je stageschool en in de avonden je lessen voorbereiden zodat je niet met je mond vol tanden stond de volgende dag. Zo had ik me studeren niet voorgesteld. Het moest vooral een beetje leuk blijven. Nooit aan hem gevraagd toen maar Henk dacht er vast hetzelfde over.

Ik ging er even tussenuit en zou het jaar erna wel een geschiktere studie vinden. Iets waarmee ik genoeg tijd over zou houden voor mijn liefhebberijen. Een universitaire studie met zo min mogelijk contacturen leek me wel wat. ‘Jullie hadden het veel gemakkelijker vroeger’, roept mijn zoon als de moordende studiedruk, leningen, stress en burn-out van studenten van nu langskomen in het nieuws. Dan zwijg ik en buig schuldbewust het hoofd.

We moesten wennen aan de zee aan vrije tijd waarin we ons ineens bevonden. Zo draaiden we plaatjes in Henks studentenkamer aan de H.W. Mesdagstraat. We luisterden naar onze helden David Bowie, Lou Reed en te gekke new wave bands die net tot bloei waren gekomen. Of in de knop waren gebroken. Henk zette Joy Division op, een band die ik nog niet kende. ‘De zanger Ian Curtis heeft zich opgehangen en lang vooraf al aangekondigd op welke dag hij dat zou doen’, zei Henk. Waar of niet waar, die mededeling galmde een tijdje na in mijn hoofd.  We leefden in het doemtijdperk maar dit was wel erg wrang.

Henk en ik leenden elkaar elpees die we na beluisteren netjes teruggaven. Tot we elkaar ineens uit het oog verloren. Henk ging terug naar Hengelo waar hij zijn freelance schrijfwerk ging uitbreiden. Ik ging werken in een supermarkt − parttime natuurlijk − en het jaar erna inderdaad naar de universiteit.

En zo had Henk 35 jaar lang mijn platen in huis: de debuutalbums van Joe Jackson (Look Sharp) en Nina Hagen. Ik had een soloalbum van Bryan Ferry (The bride stripped bare) en een elpee van de mij onbekende cultband Pere Ubu. Matige platen in vergelijking met de klassiekers die Henk in de koffer naar Hengelo mee had. En los van het prachtige album: de hoes van Look Sharp, witte puntschoenen die afsteken tegen grijze stoeptegels, is iconisch. Pas veel later bedacht ik dat het niet erg was dat ik er met de ruil bekaaid af was gekomen. De twee platen van Henk tussen mijn eigen collectie herinnerden aan onze vroegere vriendschap, de muzikale herinneringen en ons mislukt avontuur op de pedagogische academie.

De serveerster van Cafė Pronk aan de Vismarkt zet ons welwillend op de foto met de vier elpees in onze handen. Mannen op leeftijd laten glunderen als kinderen, daar draait zo’n meisje haar hand niet voor om. Daarna nog even samen naar Plato waar het lang niet meer zo druk is als jaren geleden op een zaterdagmiddag. Henk koopt een verzamel-CD van The Sound, de band van zanger Adrian Borland. Ook al zo’n tragisch gestorven held van vroeger.

We hebben onze platen terug. Nu zullen we iets anders moeten verzinnen om ons verhaal een vervolg te geven.

Het eeuwige leven

Net voor ik een hap van mijn boterham neem, ontsnapt er een ach aan mijn lippen.
Natuurlijk, oorlogsfoto’s kunnen je flink raken aan de ontbijttafel. Maar soms is er iets anders dat je bij het lezen van de ochtendkrant even uit het lood slaat. Een bericht over de te vroege dood van een bekende bijvoorbeeld.
De rubriek in de Volkskrant heet Het eeuwige leven. Peter de Waard blikt daarin terug op het leven van een recent overleden minder bekende Nederlander. Deze ochtend stuit ik op het portret van een vroegere klasgenoot van de pabo. De opleiding die toen trouwens nog gewoon pedagogische academie heette. Ynco en ik liepen samen stage op de Nieuwoldschool in de Groningse wijk Selwerd. Allebei in groep 8, die toen trouwens nog gewoon de 6e klas heette. Schoolhoofd meneer Mulder, een gepantserde man met een stem van blik en met een klein hartje, bracht ons de eerste kneepjes van het vak bij. Een combinatie van Ynco en mij zou de ideale onderwijzer voortbrengen meende Mulder. Ik wist de leerlingen te boeien met malle toneelstukjes maar een coherente opbouw van mijn les was niet zo aan mij besteed. Voor dat laatste draaide mijn metgezel dan weer zijn hand niet om. Hij zou op zijn beurt een vleugje frivoliteit kunnen gebruiken om de zesdeklassers bij de les te houden.
Ynco was tien jaar ouder dan ik en had flink wat meer levenservaring. Zo werkte hij bijvoorbeeld als taxichauffeur en reed met een busje gehandicapte kinderen naar school. Daarnaast was hij schaatscoach. Dat groeide uit tot meer dan een hobby lees ik nu in Het eeuwige leven. Hij coachte onder meer de jonge Marianne Timmer en bood een luisterend oor aan coaches die niet meer wisten wat ze met dwarse schaatstalenten aan moesten.
Terwijl Ynco de onderwijzersopleiding afmaakte als een koersvaste schaatser gaf ik er nog datzelfde jaar de brui aan. We hebben elkaar nooit meer getroffen daarna maar ik heb nog regelmatig aan hem moeten denken. Hoe zou het hem zijn vergaan in het leven, deze sympathieke, bescheiden kerel met een ingetogen en goed gevoel voor humor? Droevig genoeg lees ik dat nu in retrospectief terug in het stukje van Peter de Waard.

Hoe kan het? Iemand zo lang niet meer hebben gezien en toch even van je stuk gebracht. Te vroeg gegaan, hoe jammerlijk – voor hemzelf en voor zijn dierbaren – natuurlijk, dat is het overheersende gevoel. Maar het is ook de wetenschap dat we elkaar niet meer spontaan tegen het lijf kunnen lopen. Om vervolgens herinneringen op te halen aan toen. Aan onze jonge jaren waarvan ik destijds naïef veronderstelde dat die voor altijd voor ons uitgerold lagen. Als het eeuwige leven zou je bijna zeggen. Ynco, wijs als hij was, wist toen ongetwijfeld al beter.

Naschrift: over een paar weken tref ik een andere vroegere klasgenoot van de pedagogische academie: Henk, net als ik voortijdig gestopt. Om de plotseling opgedoemde zee aan vrije tijd te doden, draaiden we plaatjes in zijn studentenkamer. En ruim 35 jaar later gaan we de elpees weer ruilen die we elkaar destijds uitleenden. (Joe Jackson en Nina Hagen voor Pere Ubu en Bryan Ferry). Voor het echt te laat is.

 

Genezing?

voetbalI
‘Haha!’
Lang geleden. Ik krijg een troostkaartje. Van mijn vriendin die later mijn vrouw zal worden. Het is een paar dagen na de wedstrijd Nederland-België. De uitslag maakt dat Oranje zich niet plaatst voor het WK in Mexico. Er staat niet veel op het kaartje. Enkel het scoreverloop van de wedstrijd met daarachter de woorden ‘Haha’ en een vet uitroepteken. Vriendin eindigt met de moraal: ‘Als je vrouw maar van je houdt.’
Kan zijn. Toch is het vooral dat ‘Haha!’ dat blijft hangen. Schokkend dat de ernst van de zaak haar volstrekt ontgaat. Oranje heeft zich voor de derde keer op rij niet geplaatst voor een eindronde. Waarom nog meer zout in de wond strooien, heeft ze geen hart? Een wonder dat onze relatie deze misstap overleeft.

II
Het is niet het eerste voetballitteken. Dat is in de zomer van 1974. Het laatste fluitsignaal van De Wedstrijd klinkt en verslaggever Herman Kuiphof spreekt zijn legendarische woorden uit. ‘Zijn we er tóch ingetuind’. Later die zomer gaan we op vakantie, naar Duitsland notabene. Het is zo’n ouderwetse touringcarvakantie. Mijn broers en ik zitten op de achterste rij van de bus en houden velletjes papier voor het raam met een tekst in kapitalen. Strekking: Duitsland wereldkampioen maar Oranje is de beste. Als de duimen omhoog gaan in de auto’s achter ons zien we dat als eerherstel. Rouwverwerking voor een elfjarige.

III
Het laatste grote litteken dateert van zeven jaar geleden. We kijken gezinsgewijs de WK-finale tussen Nederland en Spanje in Toscane bij onze zwijgzame Noorse vakantieburen. De hele wedstrijd versmalt zich achteraf tot een grote kleine rampplek: de teen van keeper Casillas. Zoon lijdt inmiddels mee. Gedeelde smart.

***

Al een tijdje probeer ik antwoord te vinden op de vraag waarom het allemaal zo belangrijk is. Winst of verlies, beker of geen beker, mijn leven verandert er niet door. Ik moet de volgende dag nog steeds naar de winkel voor een pak melk en een brood. De zon komt op en de zon gaat weer onder.

IV
Samen met zoon en een vriend zie ik afgelopen donderdag op tv een blauwe Franse wervelwind elf oranje windvlaggetjes aan gort blazen. De wedstrijd is koud afgelopen als vriend vertrekt. ‘Nog een fijne avond en laten we hopen dat betere tijden aanbreken’, zeg ik. Ik doe de deur dicht en besluit een boek te gaan lezen.

Het lijkt erop dat ik aan het genezen ben.
Als je vrouw maar van je houdt.

 

De lolly

lolly
‘Meneer, wilt u die lolly voor me pakken?’
Ik kijk naar waar hij heen wijst. Een grote glimmende rode bal op een wit stokje op de stoep voor de ingang van de supermarkt. De jongen zit op de achterbank van de auto die voor de ingang van onze buurtsuper staat geparkeerd. Een jaar of tien schat ik hem.
Ik schat bliksemsnel de situatie in. Mama is vlak voor het wegrijden tot de ontdekking gekomen dat ze een boodschap is vergeten en nog even de winkel ingerend. ‘En blijven zitten hè! Ik ben zo terug.’ En deze dromerige knul met zijn bruine hondenogen komt na enig moment tot de treurige ontdekking dat hij net iets heeft laten vallen. Ziet het snoep nu vanuit de auto liggen op de stoep en vestigt zijn hoop op een hulpvaardige voorbijganger.
Ik pak het ding, loop naar de auto en breng mijn stem naar toonhoogte vaderlijk. Alles goed en wel zeg ik maar natuurlijk niet zo fris meer, kijk maar er is viezigheid van de straat aan blijven plakken. Ik draai het stokje rond tussen duim en wijsvinger. Zandkorrels en een klein takje. ‘Je kunt hem maar beter niet opeten.’
De jongen zegt niets. Naast hem, ik had hem nog niet gezien, zit jongere broer mee te zwijgen. Ik overhandig de lolly aan de vraagsteller. Niet voordat ik een laatste uitroepteken plaats achter mijn betoog. ”Je kunt beter die opeten. Een stuk gezonder.’ Ik wijs op de watermeloen die ik op zijn schoot zie liggen.
‘Nou’, zegt de jongen, ‘we doen eigenlijk een test. Wie geeft ‘m terug? U bent de eerste. U bent een aardige man.’ Dan gooit hij de lolly weer naar buiten. Deze belandt met een boogje op de stoep, niet ver van de plek waar ik hem net vandaan plukte.
Godzijdank geen presentator met tandpastalach die gewapend met microfoon achter de auto vandaan schiet en roept: ‘kijkt u even in de camera!’

Hoe mooi toch dat deze jongen mij deelgenoot maakt van het veelbelovende begin van zijn loopbaan als onderzoeker, denk ik als ik even later op de groenteafdeling de avocado’s sta te testen op hun rijpheid. Door de winkelruit zie ik een jonge vrouw iets aanreiken door het geopende raam van dezelfde auto. Fijn wel: ik ben niet de enige naïeve Gutmensch in onze buurt.

Goede voornemens

goede_voornemens
En weer zweeg ik negen dagen, net als vorig jaar en eerder.
Dus was er na afloop weer die vraag. Hoe moeilijk nou, zo stil, zo lang?
Niet eigenlijk.
En deze. ‘Nog tot nieuwe inzichten gekomen?’
Laten we het flarden van begrip noemen. Dat je denkt te snappen hoe de dingen werken. En goede voornemens, die komen ook langs. En verdwijnen soms weer. Zoals een droom je ontglipt, net na het wakker worden.
Maar het fijne is dat de onderstroom nog even blijft. Als een trouwe en kalme hond die niet van de zijde van zijn baasje wijkt. Op de proef gesteld door het venijnige keffertje dat telkens voor zijn poten opduikt. Metafoor voor het leven met al zijn obstakels, zo’n kaal en lelijk beest met van die kraalogen.

Goede voornemens bedenk je in de zomer. Niet aan het eind van het jaar als kerstdiner, Top-2000, appelflappen, kou en donkerte je een helder zicht op jezelf en de wereld ontnemen.
Ik nam me dingen voor toen ik in een kuil staarde op het pad waarop ik stond. Een kuil waarin het laatste laagje regenwater nog niet was verdampt door de juli-zon.
Ik nam me dingen voor toen ik naar het dorp in de verte tuurde. Het dorp waar ’s ochtends om kwart over zes de kerkklokken worden geluid. (In Nederland zou een opstand uitbreken of op zijn minst massa’s handtekeningen worden opgehaald om ze op dat uur tot zwijgen te brengen).
Ik nam me dingen voor terwijl ik een vlieg hoorde zoemen en een klok hoorde tikken. Stille geluiden die me deden denken aan de tijd waarin ik me nog kon vervelen. De nieuwe Donald Duck uitgelezen hebben en niet kunnen voetballen buiten vanwege het beestenweer.
Dat ik bedacht wat ik anders zou gaan aanpakken in mijn leven. Dat was toen een roofvogel boven de grote weide cirkelde. En toen de wolk voor de zon gleed me te binnenschoot dat ik dat voornemen vorig jaar ook had.
Niet gelukt en weer proberen, opnieuw.
Dat ik dit keer ook bedacht mijn pen te laten voor wat hij was. Omdat ik alles had opgeschreven wat de moeite van het opschrijven waard was.
Dat idee nestelde zich in mijn hoofd. Maar verdween ook weer. Zoals alles uiteindelijk verdwijnt en plaats maakt voor iets nieuws.

Vakantieboeken

octavia

Het is al laat in de avond en ik ben gegrepen door Een klein leven van Hanya Yanagihara. Een boek dat je als lezer langzaam maar zeker bij de keel grijpt. Het begin is traag maar al vlot kom je tot de ontdekking dat de schrijver het verhaal magistraal opbouwt. Het gaat over vier vrienden en hun vriendschap die zich over vier decennia uitstrekt.
Dan, op een onverwacht moment doet zich een tragische gebeurtenis voor. Ik ben als lezer niet op mijn hoede, als een bokser die in een ogenblik van onachtzaamheid zijn dekking heeft laten zakken. Vol op de kaak geraakt door een genadeloze linkse directe.
Het is het moment waarop Een klein leven zich vermengt met het echte leven. Nu, hier. Ik kijk op van de bladzijde waar het onheil beschreven staat en laat mijn blik vallen op mijn dierbaren, elk verzonken in hun eigen boek. Beneden, onder onze Toscaanse heuvel zie ik de fonkelende lichtjes van de kleine stad. Het gevaarte in het dal waaraan af en toe geluiden ontsnappen. Ambulance- en politiesirenes, getoeter van een ongedurige automobilist. Ergens in de heuvels blaft een hond.
Misschien moet je ver weg zijn van huis om werkelijk tot je door te laten dringen dat het allesbehalve vanzelfsprekend is dat er na vandaag ook een morgen wacht.
Ik laat de gedachte toe dat tijdens een dagtrip hier onze Skoda Octavia van een steile heuvel afrolt. Een fatale manoeuvre van een tegenligger of een moment van onnadenkendheid van mezelf. Drie keer over de kop en beneden tot stilstand gebracht door de massieve stam van een boom of een muurtje dat op de verkeerde plek staat. Wat rest is verwrongen metaal en de stilte die na een tijdje wordt verbroken door een koor van krekels.
En dat dat het dan was.
‘Iemand nog trek in olijven?’, vraag ik. Nu kijkt ook de rest even op van zijn boek.
Morgen – ik ga er voor het gemak vanuit dat die dag daadwerkelijk weer aanbreekt – heb ik Een klein leven uit. Dan begin ik voor de broodnodige balans aan iets lichtvoetiger. De keuze is tussen In Cold Blood van Truman Capote en Pogingen iets van het leven te maken; het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 1/4 jaar oud.
Ik had mijn vakantieboekenpakket evenwichtiger kunnen samenstellen.

Voelen en snappen (Oerol 2017)

IMG_0120Bijna afgelopen. De spelers zwaaien nog eenmaal en dan volgt een korte buiging. Niet naar ons maar naar opzij, waar de linten wiegen in de duinen. Die zijn daar voorafgaand aan de voorstelling door ons, het publiek, verknoopt. Een eerbetoon aan de meer dan twintigduizend slachtoffers van de tsunami in Japan, zes jaar geleden.

Het is hier op Oerol even bijkomen van Tsukumogami van de slagwerkgroep Dadadadan Tenko. Een overrompelende voorstelling met een gedoseerde mix van fragiele dans, ijle muziek en ruig slagwerk. Een voltreffer in het hart. En even krachtig als de slagen op de trommels zojuist.
Maar wat maakt nu dat ik met de rug van mijn hand de tranen van mijn wangen moet vegen? Misschien omdat ik me hier op het strand eenvoudig kan verplaatsen in de slachtoffers en nabestaanden. We hoeven maar naar links te kijken en we zien wat de zee met zijn onvoorspelbare en meedogenloze natuurkracht vermag.
Maar was ik even geroerd geweest zonder deze context?
Natuurlijk, kunst kan evengoed raken zonder dat je precies snapt wat de maker verbeeldt; een gedicht dat onder je huid kruid zonder dat je begrijpt waarom. Of neem een film als The Tree of Life die je vooral met je rechterhersenhelft moet ondergaan.

Anne Soldaat en Yorick van Norden treden samen op op Oerol. Unsong heroes heet hun show waarin ze liedjes vertolken van zangers ‘die het verdienen niet te worden vergeten’. Mijn hart maakt een sprong als er een nummer van The Sound voorbijkomt, de new wave band die ik drie keer live zag in de jaren tachtig. Natuurlijk ken ik de liedjes nog maar het zijn vooral de tomeloze energie van de groep en de teksten over dreigend onheil die ik me herinner – het waren tenslotte de donkere doemjaren waarin we toen leefden. The Sound kreeg een even succesvolle toekomst toegedicht als tijdgenoten als The Cure en U2. Maar het liep anders. Adrian Borland, zanger en creatief brein van de groep wierp zichzelf voor de trein.
You showed me that silence that haunts this troubled world.

Maakt deze tragedie de nummers van de getroebleerde Adrian met terugwerkende kracht nog meeslepender? Moeilijk te zeggen. En als we Anne Soldaat zelf betrekken in deze kleine bespiegeling: eerlijk gezegd ben ik zijn liedje If wel meer gaan waarderen nadat ik ontdekte waar het over gaat.
Driver stop, I know it’s late but to leave now would be a crime.
Geen tekst over een schatje in weer een ander stadje waar Anne nog even langs moet na een optreden. Nee, een liefdevol liedje over zijn dochter die hij minder ziet dan hij zou willen.
Soms wordt iets nog mooier als je het voelt en snapt tegelijk.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑