Liefdesbrieven

Er is een moeder doodgegaan, of een vader. Een huis dat wordt leeggeruimd.
Spullen gaan door handen van dochters en zonen. Er wordt gewikt en gewogen. Weg of bewaren? Boeken, brieven, kaarten, vergeelde foto’s. Tastend verdriet – herinneringen kruipen langs vingers het lijf in. En soms stuiten we op iets dat we nooit hebben geweten.
Ik ken dit alleen uit verhalen. Maar de loop der dingen maakt het aannemelijk dat mij dit ook te wachten staat.
Een sprong vooruit in de tijd. Wat wil ik dat mijn kinderen aantreffen in het huis waarin straks al het leven is verdwenen? Wat laat ik achter als ik er niet meer ben om mijn geschiedenis van een verklarende ondertiteling te voorzien?

Ik moet hier aan denken door een gesprek tijdens de nazit van een etentje met collega’s. Of het de wijn was betwijfel ik – het was niet zo dat we veel hadden gedronken – maar de gespreksonderwerpen waren persoonlijk en reikten verder dan de horizon van de werkvloer. De steen in de vijver was de anekdote van collega P. over het boek dat hij aan het lezen was. Het ging om de verzamelde liefdesbrieven van Jean Louis Pisuisse, een artiest uit het begin van de twintigste eeuw. Ze waren geschreven aan actrice Fie Carelsen, zijn tweede vrouw. Scabreus (mooi woord) die brieven en bewaard gebleven door de inspanningen van de dochter van Pisuisse, Jenny, die zelfs de inleiding voor het boek schreef.
In die actie van Jenny zat ‘m de kneep. Oei, het al of niet verborgen liefdesleven van je vader. Daar wil je als dochter toch niets van weten, zelfs niet met terugwerkende kracht, vond collega L. Collega C. was het daar niet mee eens. Zij koos de kant van Jenny. Niets menselijks is ouders vreemd. Stop dat vooral niet weg.
Dit vormde het bruggetje naar onze eigen ontboezemingen. Zo passeerde bij de koffie de ingewikkelde combinatie tussen langlopende relaties en verrukkelijke maar ontwrichtende verliefdheden de revue. We spraken over kalm voortvarende huwelijksbootjes die ooit stevig in de flank werden getroffen door vuurpijlen van ene Cupido. Met flinke rookschade aan boord tot gevolg.
Op onze zolder liggen ook brieven van vroeger. Maar of ik mijn kinderen, al of niet postuum, er lastig mee moet vallen… Ik weet dat nog niet.

 

 

Advertenties

Mannengriep

Rond elf uur op een donderdagochtend ziet dochter des huizes een man in bed liggen in de ouderlijke slaapkamer. Naast hem een warmwaterkruik, een mok met lauw geworden thee en een batterij aan gort gesnoten papieren zakdoeken.
Het is haar vader.
‘O, je bent ziek’, stelt ze vast.
Goede analyse. Dochter beseft heel goed dat op een dag en tijdstip als dit haar vader normaal gesproken elders verkeert. Dan is hij op zijn werk. Centjes verdienen voor zijn gezin. Elke dag. Meestal.
‘Nee, hij is niet ziek, het is een zware verkoudheid’, corrigeert haar moeder terwijl ze de slaapkamer binnenloopt. Ik wil een zucht slaken maar weet me vermannen. Van zuchten zou een verkeerd signaal uitgaan nu.
Husband bashing. Soms is het beter het van je af te laten glijden.

In december, nog voor de griepepidemie uitbrak, gloorde er hoop rond de beeldvorming. Mannen zouden echt zieker worden van verkoudheid- en griepvirussen bleek uit wetenschappelijk onderzoek. Iets wat mijn zoon en ik al lang wisten, zeiden we tegen de vrouwen hier thuis.
Onze rehabilitatie bleek van korte duur. Dat mannen het zwaarder te verduren hebben als ze ziek zijn, daar was geen enkel bewijs voor.
Mijn vrouw leest anders nooit een krantenbericht hardop aan me voor maar ze stond erop me deelgenoot te maken van dit nieuws.

Hypercorrectie. Het is het enige dat ons te doen staat nu. Bijna 41 graden koorts vanwege je zware verkoudheid? Draag je lot als een man.
Ik voel me hondsberoerd maar ik geef geen kik. Geen zucht komt over mijn lippen. Ik breng dit overigens zelf maar even ter sprake want complimenten van mijn huisgenotes krijg ik hiervoor niet. Gelukkig komt de kat tegen me aan liggen. Inderdaad, een begripvolle kater.

Wat een man is

Het is weekend en vroeg in de ochtend. Terwijl mijn echtgenote ligt te slapen, lees ik Wat een man is van David Szalay. Negen verhalen over mannen, geportretteerd in uiteenlopende perioden van hun leven – van puber to bejaarde. Allemaal van huis en op weg. In meer of mindere mate worstelend met het bestaan, hun ambitie en verlangen. In een interview over het boek zegt Szalay: ‘Ik wilde laten zien hoe mannen geleidelijk ouder worden. De manier waarop de tijd verstrijkt, waarop we het jonge leven loslaten, dat waren de thema’s die me het meest interesseerden. In het echte leven merk je niet dat er tien jaar voorbij gaan. Het gebeurt geniepig. En dan sta je plots voor de spiegel en schrik je. Ik wilde de personages laten ervaren hoe de tijd voorbij sluipt zonder dat ze er erg in hadden.’

***

Wat een man is. Eigen variaties op het thema.

Nu (1)
Een dansfeest. Het evenement is in de kelder van een zalencentrum. Het is er benauwd en ik ga op een gegeven moment naar boven voor wat frisse lucht. Ik stuit in de gang op een jong stel. ‘Loop niet weg!’, zegt de vrouw tegen de man bij wie besluiteloosheid en ergernis om voorrang vechten. ‘Je kunt niet zomaar weglopen, dan had je geen kind bij me moeten maken.’ Even later zie ik hen buiten staan in een even innige als onhandige omhelzing.

Toen (1)
We staan in een kleine cirkel op het schoolplein onze boterhammen weg te kauwen. Grappend en grollend. Sketches van Monty Python komen langs, gekke stemmetjes. Twintig minuten lolbroekerij in onze pauze. Brugpiepers in groene parkajassen op schoenen met spekzolen.
Wat verderop staan de meisjes, sommigen een kop groter dan wij. In de weer met meisjesdingen. Ze kijken schalks in onze richting.
‘Jacqueline zei vanochtend dat jij de jongen van haar dromen bent’, zegt een jongen in ons clubje. Ik krijg een por in mijn zij.
Het is de bedoeling dat ik nu iets ga zeggen.
‘Nou. Zij is het meisje van mijn nachtmerries.’
Lachsalvo.
Judas. Ik vind haar erg mooi.

(Toen 2)
We fietsen van school naar huis, een beetje sloom zigzaggend zoals jongens van veertien doen. We babbelen wat. Natuurlijk passeren ook meisjes de revue: die raadselachtige schepsels tot wie we ons soms moeilijk weten te verhouden. Zeker als je ze erg leuk begint te vinden.
We fietsen verder. Onze imposante leren tassen tussen de snelbinders van onze bagagedragers geklemd.
‘Ik kan me niet voorstellen dat meisjes ook poepen’, zegt mijn vriend.
‘Ik ook niet.’
Dat er vlokjes goud uit hun achterste dwarrelen, zoiets.

Toen (3)
Een paar fakkels in het gras die de duisternis aan de oevers van het meer verdrijven. Ik weet eigenlijk niet goed wat ik hier doe op dit feest, er zijn vooral vrienden van vrienden. Waarschijnlijk ben ik gekomen omdat het meisje op wie ik verliefd ben er ook is. Maar de realiteit is dat ze verderop aangeschoten ligt te zoenen met een mij onbekende gast.
Er is naakt gezwommen in de nacht maar dat hoor ik pas later. Groots en meeslepend, dat speelt zich vooral af in mijn hoofd.

Odysseus en de Sirenen
Hij staat niet in Wat een man is, de mythische held Odysseus. Ook hij was weg van huis en oneindig lang in de weer om daarnaar terug te keren. Dit vind ik het mooiste verhaal uit de Odyssee: de Sirenen lokken zeelui met hun gezang. Geef je gehoor aan hun verlokkingen, dan ben je reddeloos verloren. Je schip slaat te pletter op de rotsen.
Odysseus verzint een list. Hij stopt de oren van zijn bemanningsleden dicht met bijenwas en laat zichzelf vastbinden aan de mast om toch van hun verleidelijke gezang te kunnen genieten. Hij smeekt zijn mannen om hem los te maken. Zij roeien stoïcijns verder – truc geslaagd. En uiteindelijk keert Odysseus veilig terug bij zijn vrouw Penelope.

***

Mijn echtgenote draait zich nog een keer om en ik lees verder in het boek.

Wat een man is (ook voor vrouwen).

 

 

Vogelclub

 We hebben ze weer gehad, de feestdagen. Zoals gewoonlijk voorbijgevlogen met de snelheid van een Thalystrein die door het Noord-Franse land raast. Traditiegetrouw bliezen we een paar dagen uit bij schoonouders in Groningen. Uitslapen, beetje wandelen langs het Reitdiep, wijn drinken, lekker eten, televisie kijken, goede maar niet al te zwaarmoedige gesprekken voeren, de suikerbietenlucht opsnuiven en daarmee de melancholie zijn werk laten doen: ons benevelende dagcadans.

En o ja: ik dook in Delpher, een indrukwekkend digitaal archief uit Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften dat zelfs terugvoert naar eeuwen geleden. Alsof je virtueel in de teletijdmachine van professor Barabas stapt. Ik tikte mijn familienaam in en stuitte onder meer op rouwadvertenties van voorvaderen, theaterrecensies en amateurvoetbalverslagen. En bij de familienaam van echtgenote op een opmerkelijk bericht dat op 14 november 1973 in het Nieuwsblad van het Noorden stond.

“Laaiend meldde de heer Jintes uit Roden zich maandagmorgen bij de Nieuwsblad-balie. Zaterdag had zijn foto in de krant gestaan bij een artikel over een nieuw te vormen college van B & W in Groningen. Onder die foto stond echter de naam van de fractieleider van de PvdA, Piet Haveman. Boos deelde de heer Jintes mee dat hij niets met de PvdA uitstaande had. Het hele weekend was hij ermee geplaagd: door de vogelclub, de zwemclub, de tandarts etc. Toen zakenrelaties maandagmorgen ook nog begonnen te zeuren, werd het de heer Jintes teveel: hij eiste een rectificatie.
De heer Jintes was in het fotoarchief verzeild geraakt, nadat hij gehuldigd was voor het redden van een kind. De meisjes van het archief, die dagelijks met zo’n 12.000 koppies te maken hebben, hadden hem per ongeluk opgeborgen onder ‘Haveman’. Vandaar de vergissing in de krant.
Het was mevrouw Haveman ook al opgevallen, dat het haar man niet was, die in de krant stond. In een brief legt ze uit, dat ze die andere ook beslist niet wil. Ze gaat nu al twintig jaar met Piet en dat wil ze nog 40 jaar houden zo.”

Die gewenste 40 jaar zijn er inmiddels al 44 geworden. En deo volente komen daar voor mijn schoonouders nog meer bij. Met gemoedelijke kerstdagen en al.

Liefdesnest

Er zijn mensen die anderen aanraden een ledemaat te breken. Sommige van deze mensen zijn zelfs familie van me.
Mijn persoonlijke ervaring is dat het breken van een ledemaat je relatie op het spel zet.

Een terugblik. Ruim 25 jaar geleden kopen mijn vrouw en ik een huis dicht bij het centrum van Utrecht. De 94-jarige vorige eigenaar, die het huis begin jaren dertig als nieuwbouwwoning aanschaft voor 5.000 gulden, is een half jaar ervoor overleden. Laat ik het voorzichtig stellen: er moet het een en ander aan het huis gebeuren. Onze planning is aan de krappe kant maar deze non-klusser en zijn echtgenote gaan goedgemutst aan de slag met strippen en breken. Geloof mij: als je beseft dat er uit een ruïne een idyllisch liefdesnest herrijst, dan verzet je bergen.

Ergens in deze slopersepisode ga ik ’s avonds een potje zaalvoetballen. ‘Zorg dat je heel blijft!’, roept echtgenote me na vlak voordat ik de deur van ons appartement achter me dichttrek. Hè, waarom toch die nodeloze bezorgdheid altijd? Goed om even te ontspannen. En het gaat ook goed. Tot het misgaat. Mijn rechtervoet en onderbeen komen na een sprintje abrupt tot stilstand terwijl mijn bovenbeen nog volop vooruit beweegt. Een pijnscheut brengt me in flits naar de andere kant van het universum. En weer terug naar de vloer van de sporthal waarop ik inmiddels ben neergezakt.
Ruim twee uur later strompel ik, geholpen door twee vrienden en twee krukken, naar binnen in onze 3-kamerflat. Diagnose: gescheurde kruisbanden en een breuk in mijn scheenbeen. Vijf weken gips, van lies tot teen.
Mijn partner, doorgaans niet iemand die grofgebekt is, vloekt volmondig. Twintig minuten later – de twee vrienden zijn inmiddels discreet vertrokken – vraagt ze hoe het met me gaat. ‘Ach ja, wat zal ik zeggen?’

We maken een noodplan en trommelen hulp op voor de verbouwingswerkzaamheden. Ik maak een belronde langs vrienden. ‘Hé, Olaf, we wisten dat je een hekel had aan klussen maar dit is wel een heel rigoureuze manier om je snor te drukken!’

Het is goed gekomen allemaal. Mijn vrouw liep zich weliswaar het vuur uit de schenen maar mijn armzalige toestand riep zoveel medelijden op dat er voldoende hulp was. We verhuisden op tijd en verdorie: we wonen al 25 jaar met veel tevredenheid in ons liefdesnest.

En nu ik er wat dieper over nadenk: eigenlijk heeft ze gewoon gelijk, die dochter van me. Breek een ledemaat. Zo’n offer brengt je verder in het leven.

Gevallen

Margriet
‘Mama is gevallen en op weg naar het ziekenhuis.’ Rampspoedtekst op mijn smartphone in het venster van WhatsApp. Oudste broer houdt broers nummer twee, drie en vier op de hoogte van de ontwikkelingen. Hijzelf en broer twee zijn vanuit het noorden en zuiden van het land al op weg naar het ziekenhuis in Groningen.
Niet veel later blijkt wat de schade is: een gebroken heup. Oorzaak is een onfortuinlijke val in de keuken weten we inmiddels. Mama wordt vanavond nog geopereerd, meldt broer 2 nu via de broergroep waarin we elkaar steeds meer berichten sturen.
Ziekte en ander onheil dringen zich steeds verder op in familie- en vriendenkring. De loop der dingen. Maar tot nu toe wist mijn moeder, 86 jaar oud, de dans te ontspringen. Kwalen beperkt gebleven tot ongemakken, het hoofd nog best wel fris en nog zelfstandig wonend in het huis waarin ik een deel van mijn jeugd doorbracht.
Ze ziet op tegen de operatie, bang om niet te ontwaken uit de narcose, zegt oudste broer aan de telefoon.

Gek is dat, hoe oud ze ook is en hoe vaak ik me ook eerder ervan heb proberen te doordringen: dit bericht maakt dat haar sterfelijkheid pas werkelijk tot me doordringt. En roept een herinnering aan heel vroeger op.

Buiten heerst de lome tropische middaghitte. Vanuit de verte klinkt het roestige en ritmische geluid van de ronddraaiende wieken van een ijzeren windmolen. De stemmen van mijn broers in de tuin, voetballend, of in de weer met de zeepkist. En hier lig ik, in bed naast mama. Rusten moet ik want ik ben nog klein. Ze leest voor uit Pluk van de Petteflet. Meer nog dan met het verhaal en de tekening van de Stampertjes met die vreemde, rechtopstaande haren laat ik me meeslepen door de bewegingen van de handen van mijn moeder. Wijsvinger en duim van rechterhand telkens naar haar mond. Ze maakt met haar lippen haar vingers vochtig. De twee vingers die ze zachtjes tegen elkaar aan wrijft. Dan weer naar het hoekje van de bladzijde om die om te slaan. Het knerpende papier. Bladzijden van de Margriet waarin het verhaal van Pluk staat.

Drie dagen later in het ziekenhuis. Ik tref een opmerkelijk kranige vrouw die haar best doet om zich te verzoenen met wat haar is overkomen. En zich weer opricht, met nieuwe heup en al. Okay, een dag later is ze aanvankelijk sikkeneurig en klaagt ze omdat de T-shirts die ik uit haar huis heb meegenomen niet de juiste zijn. ‘Waarom die zwarte en grijze en niet die fleurige, daar heb ik er heel veel van hangen.’ Zo kennen we haar ook weer. Van me af laten glijden denk ik. Wat zou ik doen als ik hier zou liggen?

Weer drie dagen later verhuist ze naar het verpleeghuis om te reactiveren. Ook zij meldt zich per WhatsApp, in  de groep Moeder en zonen. ‘Net gelezen tijdens wandeling: “Houd vast wat versterkt, laat los wat niet werkt.” Kunnen we wel wat mee.’
Een crisis is ook een kans, zegt een Chinees karakter.

 

Zwart pareltje

‘Gewoon blijven lachen kind en af en toe vreemd gaan.’
Zo’n vier jaar geleden was het, ze moet toen al zeventig geweest zijn. Mijn echtgenote vroeg hoe ze het toch allemaal flikte: zo jong van geest en uiterlijk nog – ze zag er uit alsof ze net de zestig had aangetikt. Zo bruisend nog en zo positief. Dat vooral, zo positief. Want wat had ze het voor haar kiezen gekregen in het leven. Een zoon dodelijk verongelukt op zijn negentiende, haar man relatief jong gestorven en een kleindochtertje dat stierf aan wiegendood. Dieptepunten uit een veel langere reeks. Maar zelf niet stuk te krijgen.

Het was een citaat van Annie M.G. Schmidt maar ze had het zelf bedacht kunnen hebben. En ze zei het met die karakteristieke stem die klonk als een helder glas water. Klinkklaar Zuid-Hollandse tongval met een toefje Suriname.
Het pseudoniem dat de kern van haar mailadres vormde, vond ik onovertroffen. Een mooie mengeling van branie en trots: zwartpareltje.

Ruim twee jaar geleden belde ze me, een paar maanden na de diagnose was dat – ze had  inmiddels de operatie er op zitten. De tumor in haar hoofd was zoveel mogelijk weggehaald, in zijn geheel ging niet. Ze nam een lange aanloop voor ze me de vraag stelde, de aanleiding voor haar belletje. Hoe ze in het ziekenhuis uren lag te wachten op de operatie die uiteindelijk tweemaal niet doorging. Niks gegeten en gedronken en daardoor verzeilde ze in dat ziekenhuisbed in een droomwereld. Een schemergebied tussen waan en werkelijkheid, zoals ze dat noemde. Over de oceaan, terug in de tijd naar haar ouderlijk huis op Curaçao: Zeelandia 27. En dat ze door deze ervaring was gaan beseffen hoe bijzonder het leven van haar ouders was geweest. Wat hadden ze veel meegemaakt, wat een doorzetters, vooral haar moeder. Vanuit geboorteland Suriname naar Curaçao met de boot vertrokken aan het eind van de jaren twintig van de vorige eeuw. Mijn Creoolse grootvader en mijn grootmoeder met familiewortels in China. Elf kinderen baarde mijn oma – elk even jaren tussen 1930 en 1952, als in een koele rekenkundige reeks. Twee ervan overleden als baby en peuter.
En – nu kwam het – of ik misschien samen met de andere schrijvende neef hun opmerkelijke levensgeschiedenis op papier zou kunnen zetten.
Neef en ik gingen aan het werk. Gaven er onze eigen draai aan – verweven fictie en werkelijkheid. En hoewel we nog niet ver zijn en onze missie misschien nooit afkomt; wel fijn dat onze tante een deel* heeft kunnen lezen.

Langzaam gleed ze weg de laatste maanden. Mijn broers en ik bezochten haar in het hospice met de wat ongemakkelijke naam Bijna Thuis. We troffen een allesbehalve geknakte vrouw aan. Fier in bed zat ze, opgemaakt en wel en getooid met sierlijke oorbellen. Haar linkerflank verlamd maar nog geen spoor van een capitulatie voor de dood. Het praten ging wat moeizamer maar haar verhalen bleven opborrelen. Op de achtergrond klonk zachtjes de radio. ‘Feyenoord speelt vanmiddag’. Niet dat ze fan was. Het maakte haar tot een kleine kamer gereduceerde wereld groter, dat was het denk ik vooral.

Haar rieten mand hebben we naar haar graf gedragen. Met zeven neven, dat wilde zij zo. In de kerk – dat had ze vooraf ook geregisseerd – mengde een heilige katholieke mis zich met toespraken van dierbaren en liedjes van Ella Fitgerald, Billie Holiday (Lady sings the blues) en de Surinaamse balladezanger Max Nijman (Adjosi – vaarwel). Op een moment beeldde ik me in dat ze vanachter een van de grote pilaren in die grote koude kerk in Zoetermeer naar ons stond te kijken, glimlachend en wel. ‘Ja, ja. Een wonderlijke dienst. But that’s me.’
Adjosi tante.

*Mijn opa, Herman Ludwich Stomp en mijn oma, Helena Helouise Ong A Swie, vertrekken in 1929 naar Curaçao. Hij eerst – ze trouwen met de handschoen aan – zij volgt later. Hij krijgt een baan bij de olieraffinaderij. Dan breekt de economische crisis uit en vreest hij voor ontslag. Hij stuurt mijn oma terug naar Suriname (‘daar is in elk geval je moeder die voor je kan zorgen’). Samen met mijn vader (nog geen 2 jaar) oud vertrekt ze met de boot. Onderweg wordt mijn tante Bea geboren.
Lees hier het fictieve biografische verhaal dat ik schreef met die gegevens in mijn achterhoofd.

 

 

 

Plaatjes draaien

We treffen elkaar voor het station in Groningen. Dan lopen we samen op naar een café in de binnenstad. ‘Statement vanwege de hoes?’ vraagt Henk en wijst naar mijn crèmekleurige puntschoenen.
‘Nee, puur toeval’, zeg ik. ‘Ik heb ze al een tijdje.’

Een jaar of vier geleden op LinkedIn: ‘Ha Olaf, wij hebben elkaars platen nog.’ Zijn bericht vormde de opmaat naar een prettig weerzien niet lang daarna. Maar we vergaten de elpees mee te nemen.
Vandaag zetten we dat recht.

Met Henk voelde ik een zekere verwantschap. We hielden van dezelfde muziek, hadden hetzelfde gevoel voor humor en hij leek me ook nog niet klaar voor de confrontatie met het echte leven. Hoewel hij wel een voorsprong had: een paar jaar ouder en in de weekends kluste hij bij als freelance journalist voor een huis-aan-huisblad in thuisstad Hengelo. Ik was groener want kwam net van de middelbare school.
Wat ons verder bond was dat we beiden voortijdig afhaakten op de pedagogische academie.  We stopten gelijktijdig, na vijf maanden ongeveer.  Dat was niet lang na de stageperiode waarin we ons badend in het zweet terugvonden voorin een klaslokaal met 11 en 12-jarige stuiterballen. In alle vroegte paraat op je stageschool en in de avonden je lessen voorbereiden zodat je niet met je mond vol tanden stond de volgende dag. Zo had ik me studeren niet voorgesteld. Het moest vooral een beetje leuk blijven. Nooit aan hem gevraagd toen maar Henk dacht er vast hetzelfde over.

Ik ging er even tussenuit en zou het jaar erna wel een geschiktere studie vinden. Iets waarmee ik genoeg tijd over zou houden voor mijn liefhebberijen. Een universitaire studie met zo min mogelijk contacturen leek me wel wat. ‘Jullie hadden het veel gemakkelijker vroeger’, roept mijn zoon als de moordende studiedruk, leningen, stress en burn-out van studenten van nu langskomen in het nieuws. Dan zwijg ik en buig schuldbewust het hoofd.

We moesten wennen aan de zee aan vrije tijd waarin we ons ineens bevonden. Zo draaiden we plaatjes in Henks studentenkamer aan de H.W. Mesdagstraat. We luisterden naar onze helden David Bowie, Lou Reed en te gekke new wave bands die net tot bloei waren gekomen. Of in de knop waren gebroken. Henk zette Joy Division op, een band die ik nog niet kende. ‘De zanger Ian Curtis heeft zich opgehangen en lang vooraf al aangekondigd op welke dag hij dat zou doen’, zei Henk. Waar of niet waar, die mededeling galmde een tijdje na in mijn hoofd.  We leefden in het doemtijdperk maar dit was wel erg wrang.

Henk en ik leenden elkaar elpees die we na beluisteren netjes teruggaven. Tot we elkaar ineens uit het oog verloren. Henk ging terug naar Hengelo waar hij zijn freelance schrijfwerk ging uitbreiden. Ik ging werken in een supermarkt − parttime natuurlijk − en het jaar erna inderdaad naar de universiteit.

En zo had Henk 35 jaar lang mijn platen in huis: de debuutalbums van Joe Jackson (Look Sharp) en Nina Hagen. Ik had een soloalbum van Bryan Ferry (The bride stripped bare) en een elpee van de mij onbekende cultband Pere Ubu. Matige platen in vergelijking met de klassiekers die Henk in de koffer naar Hengelo mee had. En los van het prachtige album: de hoes van Look Sharp, witte puntschoenen die afsteken tegen grijze stoeptegels, is iconisch. Pas veel later bedacht ik dat het niet erg was dat ik er met de ruil bekaaid af was gekomen. De twee platen van Henk tussen mijn eigen collectie herinnerden aan onze vroegere vriendschap, de muzikale herinneringen en ons mislukt avontuur op de pedagogische academie.

De serveerster van Cafė Pronk aan de Vismarkt zet ons welwillend op de foto met de vier elpees in onze handen. Mannen op leeftijd laten glunderen als kinderen, daar draait zo’n meisje haar hand niet voor om. Daarna nog even samen naar Plato waar het lang niet meer zo druk is als jaren geleden op een zaterdagmiddag. Henk koopt een verzamel-CD van The Sound, de band van zanger Adrian Borland. Ook al zo’n tragisch gestorven held van vroeger.

We hebben onze platen terug. Nu zullen we iets anders moeten verzinnen om ons verhaal een vervolg te geven.

Het eeuwige leven

Net voor ik een hap van mijn boterham neem, ontsnapt er een ach aan mijn lippen.
Natuurlijk, oorlogsfoto’s kunnen je flink raken aan de ontbijttafel. Maar soms is er iets anders dat je bij het lezen van de ochtendkrant even uit het lood slaat. Een bericht over de te vroege dood van een bekende bijvoorbeeld.
De rubriek in de Volkskrant heet Het eeuwige leven. Peter de Waard blikt daarin terug op het leven van een recent overleden minder bekende Nederlander. Deze ochtend stuit ik op het portret van een vroegere klasgenoot van de pabo. De opleiding die toen trouwens nog gewoon pedagogische academie heette. Ynco en ik liepen samen stage op de Nieuwoldschool in de Groningse wijk Selwerd. Allebei in groep 8, die toen trouwens nog gewoon de 6e klas heette. Schoolhoofd meneer Mulder, een gepantserde man met een stem van blik en met een klein hartje, bracht ons de eerste kneepjes van het vak bij. Een combinatie van Ynco en mij zou de ideale onderwijzer voortbrengen meende Mulder. Ik wist de leerlingen te boeien met malle toneelstukjes maar een coherente opbouw van mijn les was niet zo aan mij besteed. Voor dat laatste draaide mijn metgezel dan weer zijn hand niet om. Hij zou op zijn beurt een vleugje frivoliteit kunnen gebruiken om de zesdeklassers bij de les te houden.
Ynco was tien jaar ouder dan ik en had flink wat meer levenservaring. Zo werkte hij bijvoorbeeld als taxichauffeur en reed met een busje gehandicapte kinderen naar school. Daarnaast was hij schaatscoach. Dat groeide uit tot meer dan een hobby lees ik nu in Het eeuwige leven. Hij coachte onder meer de jonge Marianne Timmer en bood een luisterend oor aan coaches die niet meer wisten wat ze met dwarse schaatstalenten aan moesten.
Terwijl Ynco de onderwijzersopleiding afmaakte als een koersvaste schaatser gaf ik er nog datzelfde jaar de brui aan. We hebben elkaar nooit meer getroffen daarna maar ik heb nog regelmatig aan hem moeten denken. Hoe zou het hem zijn vergaan in het leven, deze sympathieke, bescheiden kerel met een ingetogen en goed gevoel voor humor? Droevig genoeg lees ik dat nu in retrospectief terug in het stukje van Peter de Waard.

Hoe kan het? Iemand zo lang niet meer hebben gezien en toch even van je stuk gebracht. Te vroeg gegaan, hoe jammerlijk – voor hemzelf en voor zijn dierbaren – natuurlijk, dat is het overheersende gevoel. Maar het is ook de wetenschap dat we elkaar niet meer spontaan tegen het lijf kunnen lopen. Om vervolgens herinneringen op te halen aan toen. Aan onze jonge jaren waarvan ik destijds naïef veronderstelde dat die voor altijd voor ons uitgerold lagen. Als het eeuwige leven zou je bijna zeggen. Ynco, wijs als hij was, wist toen ongetwijfeld al beter.

Naschrift: over een paar weken tref ik een andere vroegere klasgenoot van de pedagogische academie: Henk, net als ik voortijdig gestopt. Om de plotseling opgedoemde zee aan vrije tijd te doden, draaiden we plaatjes in zijn studentenkamer. En ruim 35 jaar later gaan we de elpees weer ruilen die we elkaar destijds uitleenden. (Joe Jackson en Nina Hagen voor Pere Ubu en Bryan Ferry). Voor het echt te laat is.

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑